| Meander * Eerder * Recensies * De tijd voorbij - Gepko Roggeveen | ||
|
Verschil moet er zijn Over De tijd voorbij van Gepko Roggeveen en Taalspoor van Mark Braet door Rutger H. Cornets de Groot Bij uitgeverij De Beuk, 'stichting voor literaire publicaties te Amsterdam' verschenen twee bundels: De tijd voorbij van Gepko Roggeveen en Taalspoor van Mark Braet. Als twee dichters tegelijk besproken worden zullen er overeenkomsten zijn, maar allicht ook verschillen. Laten we met die laatste beginnen. Gepko Roggeveen is behalve dichter ook schilder, met name van nogal fauvistisch aandoend werk (zie www.artenjoy.nl/). De tijd voorbij is na een stilzwijgen van elf jaar zijn derde bundel en lijkt dus toepasselijk getiteld; het gaat in de gedichten ook veel over ziekte, sterven en het onomkeerbare van de verstrijkende tijd. Op de flaptekst wordt vermeld dat Roggeveen 'vragen stelt [en] geen antwoorden wil en kan geven', maar die prijzenswaardige houding wordt door de gedichten in de bundel helaas niet gestand gedaan. Slotregels als 'kerf ik/ tegen het vergeten/ diep mijn naam// jij zult mij weten', of 'ik wil je horen// maar stilte klaagt mij aan', of 'vang me op/ met beide handen gevouwen tot een kom' of tenslotte een simpel 'amen', - dergelijke regels geven aan dat Roggeveen inderdaad voorbij de tijd is, dat wil zeggen daar waar mogelijke betekenisvorming op tijd de kop wordt ingedrukt. Het doet vermoeden dat Roggeveen meer een therapeutisch dan een creatief belang bij zijn verzenmakerij heeft. Het levert bij tijd en wijle nog wel aardige momenten op, al moet je daar soms lang op wachten:
pachter
sereen nog ontwakend in herboren tijd alsof er nooit eerder iets gebeurde het leven anders is dan een verkreukeld laken verkleurde werkelijkheid elkaars pijn wij maken beminnen om te winnen daarbinnen eenzaam zijn ingebed in onschuld toch ligt het jaar te wachten je kunt haar dagen pachten waarbij het rijm van de laatste regel als het ware reddend optreedt. Mark Braet leverde met Taalspoor zijn zestiende dichtbundel af; voorts vertaalde hij werk van een aantal vermaarde dichters. Hij schurkt dus wat dichter tegen de literatuur aan en dat is ook wel te merken: hij nam gedichten van Gerrit Kouwenaar als motto's op, gaf een kloeke en toch intrigerende titel mee aan zijn bundel (waarvan althans menig poststructuralistisch taalfilosoof zou gaan watertanden) en lijkt zich er ook verder beter van bewust dat de taal zelf eveneens deel uitmaakt van de werkelijkheid. 'Mij-waarts gekomen,/ haar-waarts gegaan/ tot voorbij de rand/ van de woordgrens', schrijft hij ergens, en in een gedicht getiteld 'Herschrijven'
Dacht:
indien hij deze wereld zou moeten verlaten, het onmogelijk zou blijken zichzelf te herschrijven in die andere wereld. Maar evenals Roggeveen - en hier komen we toe aan de overeenkomsten - houdt ook Braet halt voor de poort die zijn poëzie wil openen: die waarin de werkelijkheid zich verhardt tot een literair, dat wil zeggen, een onvervreemdbaar domein, waarover niet alleen het innerlijk van de dichter, maar vooral diens vormvaste hand regeert, zodat hij ons geen slappe hap voorschotelt. Beide dichters slagen er onvoldoende in om afstand tot hun onderwerpen te nemen, en daardoor ontbreekt het beiden aan stijl: aan datgene wat karakter verleent aan poëzie, wat haar spannend maakt, weerbarstig, uitdagend: iets om te overwinnen. Zie hoe veelbelovend Braet het volgende gedicht inzet, zich dan verliest in 'poëtisch' taalgebruik, om wat er desondanks nog overbleef in de slotstrofe definitief om zeep te helpen:
Mysterie
In staat, de vorm te voltooien van doorboorde helderheid, de dageraad te proeven de aanvang van kleuren, brandend in een blind oog, een gekwetste stem te zijn in de vuurlijn. En kijk: een tintelend Bengaals festijn openbarstend als spetterende regen van goud en zilver, blauw koper, indigo stuifmeel; magnesium melk stortend en zich spreidt, opvlamt en dooft. De dag van morgen vullend met mysterie. Wie van poëzie herkenning en bevestiging verlangt en gewoon eens wil kijken hoe het er bij een ander mens aan toegaat, zal aan deze bundels best een genoeglijk uurtje kunnen beleven. Misschien dat men af en toe het kaft zal willen opslaan, want anders dan door onderwerpkeuze vallen beide dichters moeilijk uit elkaar te houden. En verder hoeft men nergens voor te vrezen; deze poëzie kan immers geen kwaad. Maar misschien is dat juist het grootste bezwaar. Gepko Roggeveen - De tijd voorbij De Beuk, Amsterdam, z.j. (2002) 68 blz.; € 15,00 ISBN 90 6975 430 4 Mark Braet - Taalspoor De Beuk, Amsterdam, 2002 64 blz.; € 14,00 ISBN 90 6975 426 6 [gepubliceerd: 19 januari 2003] |
||
| ^   | deze tekst printen |