Meander * Eerder * Recensies * Alles is er nog. Verzamelde gedichten - Jan Kostwinder
 



Een daad van rechtvaardigheid

Joop Leibbrand bespreekt
de Verzamelde Gedichten van Jan Kostwinder



Werk van Jan Kostwinder 1960-2001) werd tijdens zijn leven nauwelijks besproken en daarom bleef hij als literator betrekkelijk anoniem, ondanks de publicatie van twee dichtbundels, een verhalenbundel, een roman, een boek met beschouwingen over Cesare Pavese en het feit dat zijn werk regelmatig in diverse bekende tijdschriften verscheen. Met Alles is er nog richten samenstellers Hein Aalders en Chrétien Breukers 'een klein monument' op voor de auteur van wie zij in hun nawoord (Een mot die naar de lantaarn vliegt) uitvoerig zijn 'hartverscheurend ontspoorde leven' schetsen.

Geboren op het 'Platland' van 'Veenverlatenheid', het land van de Groninger strokarton, verloor hij op tweejarige leeftijd zijn vader. Een gehate stiefvader - wiens naam hij niettemin ging dragen, Kostwinder heette eigenlijk Jan de Vries - bracht het gezin twee jaar later in Amsterdam-Noord, waar het hevig stotterende en met een andere tongval pratende kind naar eigen gevoel gepest en vernederd werd. Op de middelbare school toonde hij zich een doorzetter: zijn vwo-diploma haalde hij na eerder mavo en havo gedaan te hebben. Tijdens zijn lange studie Nederlands ontdekte hij niet alleen het werk van dichters als Wilfred Smit (op wie hij in 1989 cum laude zou afstuderen), maar ook zijn eigen dichterschap, waarmee hij vanaf het prilste begin zeer bewust bezig was. Hij richtte (met o.a. Rogi Wieg) het tijdschrift 'Adem' op, bedoeld als de tegenhanger van het veel bekendere 'De Held' van de Maximalen. Dichterschap en 'kunstenaarsschap' raakten al gauw verbonden met een wereld van hasj, speed, cocaïne, LSD en vooral ook veel, heel veel alcohol. Het zou Kostwinders leven blijvend bepalen, al leek het er toch nog lang op, dat hij een gewoon maatschappelijk bestaan zou kunnen leiden. Hij werkte zes jaar als leraar Nederlands op internationale scholen in Engeland, Wales en België, trouwde met een studievriendin en kreeg twee kinderen. Zijn chaotische, manische levensstijl leidde echter tot een snelle neergang: ontslag, werkeloosheid, scheiding, psychiatrische opname wegens een psychose. Kostwinder beweerde zelf altijd, dat hij drank & drugs gebruikte als zelfmedicatie om 'de duistere fluisterstemmen in zijn hoofd' te kunnen bezweren; in een van de nagelaten gedichten schrijft hij: "Hij at gemalen glas, / in zijn hoofd zong de rattenkoning."
Uiteindelijk belandde hij weer in de kleine flat van moeder en stiefvader en dreigde hij in een leven van drank, drugs en onfrisse seks ten onder te gaan. De Jellinekkliniek was in deze periode twee keer zijn redding. In 2001, kort nadat hij weer over een eigen woonruimte beschikte en plannen maakte voor een nieuw leven (de dissertatie over Wilfred Smit moest er komen), stierf hij vermoedelijk aan een hartaanval, al had het ook een overdosis kunnen zijn. Zijn dood genereerde meer publiciteit dan hem tijdens zijn leven ten deel gevallen was.

Alles is er nog telt iets meer dan tweehonderd gedichten, waarvan minder dan een derde tijdens zijn leven in bundels werd gepubliceerd. De rest bestaat uit een bundel die al geruime tijd op uitgave wachtte en een ruime keuze uit zijn verspreide en nagelaten gedichten.
Met de gedichten uit Binnensmonds (1988, motto: Oude Oude Pekela, ik voel de modder / van uw achtertuinen in mijn handen / - mijn geschiedenis moet ik verbranden.) probeerde hij al direct aan het doel te beantwoorden dat hij zich als dichter stelde: "aardse, fysieke en transparante poëzie schrijven", "gedichten (...) die in principe door iedereen gelezen en begrepen kunnen worden." Het zijn gedichten die duidelijk vanuit een autobiografische noodzaak ontstaan zijn; Kostwinder moest een als traumatisch ervaren jeugd van zich af schrijven. Indringend gebeurt dat in het intrigerende 'Gevlogen':

Gevlogen

Een zwarte vogel is van mijn hoofd
gevlogen. Er valt een slagschaduw
op dit papier; maar ik word een hand,
een plant, een dier. Geen steen

en geen geraamte: ik ben een vleesgedaante.
Er valt geen schraal zaad in droge
aarde waar ik loop. Ik leef, maar
desondanks: mijn vader is de dood.

Ik was mijn handen, raak je aan.
Ik loop en blijf voorlopig
niet meer staan.


De gedichten uit Een kussen van hout (1994) zijn het resultaat van een poging om meer 'literaire' poëzie te schrijven, gevarieerder en algemener van inhoud. De bundel bestaat uit een zestal afdelingen met pretentieuze tussentitels als 'Trompe-l'il', 'Belvedère' en 'Artesania'. Maar hoe meer hij afstand probeert te nemen van zichzelf, hoe oppervlakkiger zijn 'plaatjes' en 'verhaaltjes' worden; het zijn vrijblijvende gedichten die hem weinig bestaansrecht geven: "Als kanttekening besta ik nog / als miniatuur in de marge", opent het slotgedicht, want als neerlandicus realiseerde Kostwinder zich kennelijk heel goed wat dit werk waard was.

Van Donkere wolken pakken zich samen boven het hoofd van Meneer de Vries is het onbegrijpelijk dat Perdu niet tot uitgave ervan kon besluiten, want als Kostwinder als dichter overleeft, zal het dankzij deze hilarische bundel zijn, waarin met schrijnende, sardonische humor het geïsoleerde leven van een in alle opzichten onaangepaste leraar wordt verbeeld, een randfiguur die zich in een door seks, drank en drugs bepaald bestaan slechts dankzij een grote portie zelfhaat weet te handhaven: "Een fles die aanspoelde / met alleen wat brak water // erin: Meneer De Vries heeft zin // om zich eens ouderwets goed / op te hangen vandaag. // Kijk, daar hangt hij te kijk / voor het hele gezin". Het feit dat Kostwinder zijn personage ontleende aan de Cogito-figuur van Zbigniew Herbert - in een gedicht waarin de twee elkaar ontmoeten, erkend als 'meester van ons allemaal' - doet geen afbreuk aan de authentieke kracht van deze gedichten.

Over de liefde

Staat er dun en beverig
op het bord geschreven:

De mens wordt geboren,
de mens gaat dood

en daartussen
heerst de liefde.

Het eerste is waar,
denkt meneer De Vries,

het tweede ook.


In 'De paraplu van Peter Ghyssaert' (een gedicht dat het verdient klassiek te worden), analyseert hij haarscherp wat er mis is: "Het wordt steeds stiller in het hoofd / van Meneer De Vries wanneer hij spreekt // zegt hij niets: niets kun je leren / van een afwezige stem die nooit / volledig is gedoofd."
Als zijn alter ego in een oude doos met versjes rommelt en hier en daar wat leest, stelt hij vast: "Eigenlijk, denkt hij stiekem, / was het zo slecht nog niet. // En misschien is dat waar // maar wat moet hij nu."

Gaandeweg kreeg Kostwinder de overtuiging dat er misschien meer een romanschrijver dan een dichter in hem school; de poëzie was voor hem niet het blijvende 'alibi voor een gekte die je kunt uitdragen' (Hans Verhagen). In het rijtje van de grote gedoemde dichters hoort hij niet thuis, omdat er bij de echte poète maudit toch altijd ook sprake is van een grote belofte die nog vervuld had kunnen worden. Kostwinder was als dichter feitelijk uitgeschreven. Niettemin zou het een onverdiend lot zijn, als de slotregel van de Verzamelde Gedichten bewaarheid werd: "je draait je om en kijk ik ben verdwenen ik ben er al niet meer."
In een gedicht over Nico Slothouwer (met wie hij nogal eens vergeleken wordt - ook aan Jan-Willem Overeem valt trouwens te denken) staat: "Ik lees zijn gedichten anders dan toen / hij nog leefde, het zijn andere gedichten / nu hij zich verhangen heeft." Het mag ook voor de waardering van Meneer Kostwinder zelf gelden.


Jan Kostwinder - Alles is er nog. Verzamelde gedichten
Uitg. Thomas Rap, Amsterdam 2003
288 blz.; € 21,50
ISBN 90 6005 296 X







[gepubliceerd: 17 augustus 2003]
 
^