Meander * Eerder * Recensies * Ruggespraak - Joan Hambridge
 
Vuurwerk uit de Zuid-Afrikaanse keuken
Chris Coolsma bespreekt de nieuwste bundel van Joan Hambidge


Een dichter is een taalgeleerde. Dichten is de wetenschap van het uitdrukken van emoties, dingen en gebeurtenissen in taal met een bewust gekozen vorm. De dichter moet scherp kunnen observeren en het geobserveerde op passende wijze in woorden uitdrukken. Gaandeweg herschept de dichter het geobserveerde. Daarbij ontstaat iets nieuws, dat er nog niet was. Het kan een beschrijving van iets alledaags zijn, maar daar moet altijd iets aan toegevoegd worden.
Dit inzicht is al veel vaker onder woorden gebracht, maar ik schrijf het hier weer op omdat de dichteres Joan Hambidge haar lezer er toe brengt (ik voel het zelfs als dwingen) om na te denken over het schrijven van poëzie, het lezen van poëzie en het bespreken van poëzie. Haar bundel Ruggespraak is een gesprek. Een gesprek met en over andere dichters, met en over haar geliefde(n), met en over zichzelf. Het gesprek gaat over alles wat van belang is in het leven van een schrijver: de maatschappelijke situatie, het dagelijks leven, de mensen om haar heen (het meest de nieuwe geliefde), de poging om te begrijpen (in taal uit te drukken), het schrijven zelf, de zelfkritiek op dat schrijven. Een gesprek in een spiegelhuis. Wees gewaarschuwd, daar vallen scherven en worden littekens opgelopen.
Hambidge spaart niemand. Dat kan niet, dat is nu eenmaal het lot van de dichter. De dichter moet tot de kern proberen door te dringen. Het leven is haar onderwerp, de liefde, de dood. Dus schrijft zij over het leven met anderen. Zo ligt de liefde wel op straat, maar dat moet dan maar. Haar grote voorbeeld Auden heeft geschreven: dichters hebben de dichtkunst liever dan de geliefde. Het levert een woest gevecht op waarvan in de bundel verslag wordt gedaan. Liefdespoëzie, dan weer op het scherp van de snede, dan weer teder, vlak op de huiverende huid; gloeiend heet en vlijmscherp

Voor jou staan ek weerloos
is ek kaal. Dis asof jy elke haar
op my hoof afgetel het, die lub-dub-ritmes van my hart
beheer, zelfs weet hoe bloed deur my are vloei
en nog meer, elke lyntjie en kurwe van my lyf
soos 'n vingerafdruk kan natrek.

(Voor jou sta ik weerloos,
ben ik naakt. Het is alsof jij elke haar
op mijn hoofd geteld hebt, de lub-dub-ritmes van mijn hart
beheerst, zelfs weet hoe bloed door mijn aderen vloeit
en nog meer, elk lijntje, elke curve van mijn lijf
als een vingerafdruk kan natrekken...)

'Voor jou staan ek weerloos, is ek kaal', herhaalt de schrijfster steeds weer, als een bezwering, als een liefkozing, als een zoektocht naar de juiste woorden om deze liefde weer te geven en dan eindigt ze met:

Voor my staan jy weerloos,
word jy kaal. Dis bykans of elke woord en gebaar
ons liefde herhaal, herhaal, herhaal.

Haar gedichten zijn ook in een ander opzicht een gesprek. Ze is trouw aan haar eigen opvattingen over de poëzie, die op het internet zijn te lezen: 'dichters vormen een tapisserie van woord en wederwoord, van vraag en antwoord. Als een mens de dichtkunst beschouwt als intertekstueel netwerk of tapisserie, dan is elk gedicht belangrijk of terzake.' Het dichten zelf kan alleen iets worden als het met hart en ziel wordt bedreven. 'De digter is 'n Kamikaze/ nutteloos brandoffer voor het rijm', schrijft ze. De liefde lijkt er erg op, gezien de heftigheid waarmee die wordt beleefd.

Deze houding tref ik in de bundel aan. Het resultaat is vaak fascinerend, dan weer intiem en huiselijk, meestal geestig. Het dagelijks leven is de context voor de dichter, daarin en daaruit ontstaan de gedichten. Voor de geliefde is dat moeilijk. Zij is onderwerp, maar zie de waarschuwing van Auden.

Elke huis het sy kruis

Jy staan voor de skottelgoedmasjien
En pak jou verwyte een vir een in:
"Jy verneder my", sis jy.
"Jou ewige flirtasies hang my die keel uit".
Jy ruk my klere uit my oorvol tas
en gooi my duur Lacoste-hemde
in jou wasmasjien gepak met rusies.
Later slurp die Rowenta
Ook misverstand, verwyt en jaloesie op.
“Ons gedigte is privaat. Jy praat uit!”.
Die ketel sis saam. Die elektriese kort-
Sluiting sorg op die koop toe
Vir koue water; die creepy-crawly meteens
'n kruipende blou anakonda.

Ek stik in hierdie kitchen-sink-realisme,
Verwonderd oor hoeveel misverstande,
Verwyte daar tussen ons lê.

Vanoggend kyk ek terug –
Die digter het 'n Januskop:
Enersyds betrokke geliefde;
Andersyds verwyderde skriba.

Daar is geen andere geliefde, bely ek
op hierdie wintersmart Sondagoggend,
daar is net hierdie ding. Bykans iets soos 'n reinigende skottelgoedmasjien,
nee, eerder draaiende, tuimelende wasmasjien,
suigende blasende lawaaiende stofsuier,
elektriese kortsluiting.

Vir jou helaas net 'n bedreigende
talmende
oorrompelende
grillige
versmorende
aaklige
vreesaanjaende
giftige
binnedringende
venynige
anakonda.

(skottelgoedmasjien = vaatwasmachine; Rowenta = stofzuiger; de anakonda van de blauwe kortsluitingsvonk zien we aan het einde terugkeren in de slangachtige laatste regels)

De consequentie van dichter zijn is ook, dat je de toppen van de poëzie moet kennen. Je woord is een wederwoord. De poëzie van Hambidge staat vol citaten van en verwijzingen naar grote dichters die haar tot voorbeeld zijn, die haar tot denken aangezet hebben, die regels hebben geschreven die iedere dichter (en recensent) zou moeten kennen. Ze werkt voort aan de grootse tapisserie van de poëzie, ze kan niet anders.
Het levert een belangrijk tijdsdocument op, een scherp beeld uit de machinekamer (in dit geval de keuken) van de dichtkunst. Joan Hambidge heeft een nieuwe muze gevonden. De lezer vaart er wel bij. Liefde scherpt de zintuigen, inspireert en levert nieuwe inzichten op en gedichten om steeds weer te lezen.


Joan Hambidge – Ruggespraak
Uitg. Protea Boekhuis, Pretoria, 2002
79 blz.; ZAR 79,95 (ongeveer € 9)
ISBN 1-919825-94-0
Te bestellen bij proteaboek@mweb.co.za.







[gepubliceerd: 23 november 2003]
 
^