Meander * Eerder * Recensies * De tussentijd - Anna Enquist
 


De tussentijd
Joop Leibbrand las de rouwgedichten van Anna Enquist en Gerbrandy's genadeloze kritiek erop

Anna Enquist is vanaf haar eerste bundels altijd een dichteres geweest die in haar poëzie haar eigen persoonlijke leven reflecteert; omdat ze veelvuldig schrijft over beroep, gezin, vriendschappen, vakanties, culturele interesses (vooral muzikaal gericht), hobby's, etc. krijgt de lezer vanwege de herkenbaarheid van haar onderwerpen al gauw het gevoel met haar vertrouwd te zijn. Wie haar werk kent, kent haar met name in haar rol van moeder en het is opvallend hoe sterk bij haar beschermende ouderliefde steeds verbonden is geweest met het besef los te moeten laten, afscheid te moeten nemen, met de angst ooit te zullen verliezen, op welke wijze dan ook. ('Angst zette zich / in mijn keel', 'Familie', Jachtscènes 1992.) De voorbeelden zijn legio.

Zo schrijft zij in 'Tegen de groei' (Soldatenliederen, 1991): 'Sinds zij // groeiden ga ik op verdoofde / voeten door een grijs en windstil / land. De hete messen van / verlies kerven in elke hand.' In 'Mijn zoon' uit de zelfde bundel (in de korte cyclus 'Kinderszenen') staat: 'Ik neem hem in mijn arm / en zonder spreken vaag ik / de oorlog weg en kinderkanker, / mijn eigen dood, het monster van de tijd. // Ik lieg hem voor en red hem / tot wij beiden slapen in gestolen veiligheid.' En in 'De meisjeskamer' zegt zij over haar dochter: 'Zij ademt vluchtig, houdt / zich nauwelijks vast. Negeert / in de vervoering elk gevaar. // Wij zijn het vangzeil waar / zij zich soms achterover / in laat vallen. Wij wiegen / haar als toen, ontwricht / als zij weer opveert en ons / achterlaat. Het plotseling / ontbreken van gewicht.'

In Een nieuw afscheid (1994) stelt zij in 'Oproep' vast: 'Ik ben de jongen en het meisje kwijt. Beiden / ben ik verloren toen de tijd / verstreek. Ik kan hun kleine / stemmen niet meer horen. Ik zoek hen voor een nieuw / afscheid. Ik roep hen over wateren en weiden.'

In Klaarlichte dag (1996) is de dochter definitief uit huis, wat voor de moeder letterlijk traumatisch is. In de vierdelige cyclus 'Dochter, dochter' staat in het laatste gedicht: 'Geen uiteenscheuren is zo wreed. Altijd // geweten (later, groot) en nooit beseft / dat de tijd het hart er echt uit zou / rukken, dat rafelige randen en een / rood gat zouden achterblijven.' Er is geen remedie, want om de kinderen als kinderen te behouden, zou je terug moeten naar een vast maar voorbij punt in de tijd: 'jonge ouders / met hun kleine zoon, door tijd niet / aangeraakt.' ('Het raadsel'.) Nog één - schril - voorbeeld uit 'Habanera' uit dezelfde bundel: 'Er was een kind. Met haar danste ik / door de kamer, wij galoppeerden van hoek / naar hoek, wij zongen luidkeels een lied. // Zij had een warm gezicht. Zij was mijn dochter. / Als ik adem vonkt zij na in het gedicht.' (De laatste regel begon oorspronkelijk met 'Als zij ademt', wat het nog schrijnender gemaakt zou hebben.)

Enige jaren terug voltrok zich wat in 'Dochter, dochter (1)' nog slechts het angstvisioen was van een ogenschijnlijk overbezorgde moeder: 'Niet waar dat ze met lange / elastieken draden aan je vast / zit, dat je opvliegt als zij / twintig kilometer verder van / haar fiets valt. Je zit in het / versteende huis en je voelt / niets. // Zij rijdt langs de glimmende / tramrails. Mijn genen / fluisteren bevelen / in haar lijf.' In plaats van een tram was het een vrachtwagen, maar het resultaat was even dodelijk: het verlies kreeg voor altijd vorm.

In De tussentijd [opdracht: In memoriam mijn dochter Margit (1974-2001)] heeft Anna Enquist nu in een beheerste, haast streng ingedeelde bundel de gedichten verzameld die zij naar aanleiding van de dood van haar dochter schreef. Er zijn zes afdelingen - Verloop van tijd, Op reis, Berichten, Intussen, Muziek, muziek en 'Maak haar een plaats' - waarvan de twee middelste zeven en de andere zes gedichten tellen. In totaal 38 gedichten, die vrijwel zonder uitzondering de overleden dochter tot onderwerp hebben. Het moet toen zij eenmaal op gang kwam, een niet te stuiten vloed geweest zijn.

In de Volkskrant van 12 maart j.l. gaf Piet Gerbrandy onder de titel 'Wanhoopsmoeder' zijn oordeel:
'In ieder leven vinden drama's plaats. Geliefden worden gek en beroven zich van het leven, kanker en Alzheimer slaan toe, er breekt oorlog uit of een vloedgolf vaagt je woning weg. Dat is allemaal heel erg, maar vreemd genoeg slagen de meeste mensen erin na een periode van verdriet de draad van hun leven weer op te pakken, sadder and wiser. Je moet ook wel, want je omgeving krijgt na een paar maanden genoeg van je gezeur.
Anna Enquist heeft een paar jaar geleden haar dochter verloren. Dat is heel rot voor haar. In plaats van zich met haar verdriet terug te trekken, heeft Enquist de publiciteit gezocht. Sindsdien gaat ze door het leven als die droevige mevrouw die zo aangrijpend over haar dochter schrijft. Haar nieuwe bundel De tussentijd is geheel aan dit verdriet gewijd. Nu is het niet uitgesloten dat iemand zijn ellende op de een of andere manier tot goede literatuur verwerkt, maar dat is hier niet gebeurd. Het boek bestaat van de eerste tot en met de laatste bladzijde uit larmoyante kitsch.'
Verder heeft Gerbrandy het in deze zeldzaam scherp op de persoon gespeelde bespreking het nog over 'Schaamteloos sentiment, geformuleerd op een manier die zogenaamd erg diepzinnig is' en noemt hij de gedichten 'gênant'. Hij besluit als volgt: 'Aan de oprechtheid van deze gedichten behoeven we niet te twijfelen. Maar wil Enquist ook door poëzielezers nog au sérieux genomen worden, dan zal ze moeten ophouden haar verdriet te etaleren.'

Natuurlijk is het Gerbrandy's goed recht om Enquists rouwgedichten, die weinig hebben van de klassieke funeraire poëzie waarnaar zijn voorkeur waarschijnlijk uitgaat, op poëticale gronden af te wijzen; hij beperkt zijn argumentatie in dezen echter tot wat subjectieve oprispingen die niet verder komen dan 'ik vind het niks'. Oké, zelfs dat mag, want de lezer zal vervolgens heus zelf wel uitmaken of hij het met deze afwijzing door de poëziepolitie eens is. Maar dat hij Enquist, 'die droevige mevrouw', verwijt haar verdriet te exploiteren en haar voorhoudt dat ze er beter aan gedaan had zich op te sluiten tot het 'over' was, in plaats van erover te gaan 'zeuren', is van een schandelijke en vooral ook domme impertinentie. Haar hele dichtersleven heeft Enquist met grote betrokkenheid over het liefste dat zij had geschreven. En nu zou zij de laatste ader die haar bindt niet mogen laten stromen?

Gerbrandy zou zijn klassieken beter moeten kennen. Pieter Corneliszoon Hooft, die in luttele jaren tijds zijn vier kinderen en zijn vrouw verloor, schreef in de beroemde brief aan Joffrouwe van Crombalgh (Maria Tesselschade) van 6 juli 1624 dat hij wel wist, dat 'De wijsen gebieden verliesbaer goedt loshartigh te lieven ende 't verlooren zonder bedroeven over te setten.' Die stoïcijnse houding is hem echter nu onmogelijk, vervolgt hij, want: 'Die noit anders dan spelden en spijkers opzocht om, 'tgeen hij beminde, naghelvast in zijn harte te maeken, hoe kan't hem daer afgescheurt worden zonder ongeneeslijke reeten te laeten?' 'Ick en zoek de rouw niet,' zegt hij verder, 'maer zij weet mij te vinden. Duisendt en duisendt dingen daeghs haelen mijn schaede op, ende meeten ze ten breedsten uit.'

Voor Enquist is het niet anders. Met De tussentijd heeft zij niet alleen voor haar dochter Margit Widlund een indrukwekkend monument opgericht, maar in de onderlinge samenhang van de gedichten vooral ook een beeld gegeven van de emoties die tezamen het complexe gevoel 'rouw' vormen, zuiver en integer.
'Volgens afspraak was er een raadsel / om verbijsterd bij stil te staan, / grijpend in haar.' Dit zijn de eerste regels van het gedicht 'Afspraak', waarmee de bundel opent. De tussentijd eindigt met 'Sectie': 'Het is een groots werk, het neemt / al onze uren, het losmaken / van de dochter uit ons.'
Deze bundel, de tragische verwerkelijking van een onbegrijpelijk maar definitief afscheid, móest geschreven worden en gedeeld met wie haar vertrouwd zijn: haar lezers. Opdat zij vrij zou zijn.


Anna Enquist - De tussentijd
Uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam 2004
64 blz.; € 15,-
ISBN 90 295 22585





[gepubliceerd: 28 maart 2004]
 
^    deze tekst printen