Meander * Eerder * Recensies * Het ei in mezelf - Philip Hoorne
 
Philip Hoorne Ė Het ei in mezelf

De mens en de dichter
door Simon Korthout

'Wie de mens Philip Hoorne wil begrijpen, moet maar lezen wat hij geschreven heeft', aldus de dichter die kortgeleden zijn derde poŽziebundel presenteerde. Met deze poŽticale uitspraak in gedachten lijkt het eerste gedicht uit Het ei in mezelf een regelrechte poŽtische autobiografie:

Hard moet ik worden.
Hard is het doel.
Emotieloos, meedogenloos
en boos, heel heel boos
[...]

En vechten moet ik doen.
Tegen het ei in mezelf.
Tegen de verwijfde schijnheiligheid van kerk, staat, volkorenbrood en werk.
Tegen mijn eigen naam in roetzwarte letters op een spikkelgrijze zerk.

En lachen! Lachen met alles, en nog wat
met de man die niet wilde verdrinken in zijn bad

Deze regels uit het gedicht Drie voornemens voor een halfoud leven geven blijk van een richting voor de toekomst alsmede van een welkome adempauze. In vier jaar tijd verschenen er van de Vlaamse dichter drie dichtbundels, en doorleefde hij een explosief succes dat in 2002 begon met de dichtbundel Niets met jou onder redactie van Gerrit Komrij, gevolgd door Inbreng nihil in 2004. Daarbij verscheen er in 2003 een door hem samengestelde bloemlezing met gedichten over de stad Antwerpen. Succes echter is een relatief begrip dat voor Hoorne met name moet blijken uit de mate van erkenning, zo geeft hij in een interview met Meander te kennen. Aan erkenning lijkt eveneens geen gebrek. En terecht, want Het ei in mezelf is een bundel die de lezer uitnodigt voor een Bourgondisch diner met krachtige beeldspraak, absurdistisch engagement, technische doeltreffendheid en smakelijke zelfspot ter nagerecht. Een bundel die onlosmakelijk verbonden is aan zijn schepper die zich in verschillende gedaantes toont, zoals onder andere blijkt uit de gedichten Van zwemmer tot mol en Herinnering aan mijn puberteit. In het laatst genoemde gedicht komen een aantal aspecten samen die kenmerkend zijn voor deze bundel, waaronder een compacte (maar nog steeds herkenbare) typering van de apenjaren, zoals de puberteit in Vlaanderen wordt genoemd. Een woordenboek lijkt onontbeerlijk bij het lezen van Hoorne's poŽzie, maar na het raadplegen hiervan geven woorden als vont, scapulier en balatum de gedichten de elegantie die ze tot meesterwerkjes maakt. Niet enkel op woordniveau genieten ze diepgang, maar ook qua filosofische inhoud is de poŽzie van Hoorne gerijpt. De typering 'huisvrouwenpoŽzie' ontgroeid, een genuanceerde worsteling met existentiŽle vraagstukken. Volgens de dichter zťlf is, net als in de voorgaande bundels, ook hier een het thema van vervreemding en bevreemding sterk aanwezig. Aan het woord is een zoekende dichter die nu eens zijn heil zoekt in de flamboyante absurditeit, dan weer in een ingetogen oprechtheid.
Een thema dat een grotere constante vormt in deze bundel is het thema van de identiteit. Philip Hoorne schroomt niet de ik-persoon in zijn gedichten direct aan zichzelf te koppelen. De kwetsbaarheid die dit met zich meebrengt vormt juist de kracht van zijn poŽzie, zoals is te bemerken in Een tot de x:

Vannacht heeft zich in mijn hoofd de plot ontwikkeld van
een verhaal waarin ik de hoofd- en alle andere rollen speel.

Ik stond op het toneel met een pak andere Hoornes.
Dit schiep geen verwarring, die was er al:

kasten vol kostuums, pruikenkoppen
en schmink voor het verzachten.

Mijn ego's en ik, we kregen een staande ovatie
van het in de zaalspots opgelichte publiek:

klonen van zij die werden bejubeld,
onderling verwisselbaar ťťn.

Wat dit gedicht tevens interessant maakt is het idee dat er uit spreekt: dichter en publiek zijn ťťn, inwisselbaar zelfs. De eerder aangehaalde vervreemding culmineert in dit gedicht waarin de afstand tussen de dichter en zijn publiek maximaal is: opgesloten in zijn eigen droom lijkt de dichter aan zichzelf genoeg te hebben. In andere gedichten is de boodschap minder zelfverzekerd.

Opvallend is de soms plotselinge grimmigheid. Zoals hij zich in zijn eerste gedicht reeds voorneemt, lijkt de dichter bozer, agressiever en recht voor zijn raap. Wat gezegd moet, moet gezegd en niet altijd in gladgepolijste woorden, al blijft de gehanteerde botheid genuanceerd.
Wat verder opvalt is het aantal spielereien dat merkbaar is toegenomen ten opzichte van voorgaande bundels. Er wordt gespeeld met de taal op verschillende manieren: allereerst de woordgrappen, bijvoorbeeld in de titel van het gedicht Schaterloo en in zinnen als 'De dingen liggen quasimodo vast'. In het interview met Meander geeft Hoorne zelf al aan dat Het ei in mezelf zijn meest poŽtische bundel is tot nu toe: er is ruimte voor dit soort 'grapjes'. Ten tweede is er meer aandacht besteed aan woord- en klankkleur; qua techniek maakt Hoorne, meer dan in Niets met jou en Inbreng nihil, gebruik van binnenrijm en alliteratie. Het totale scala aan woordbeheersing en taalkennis zorgt voor een mooi palet van kleur, smaak en klank.

Het enige dat lijkt te ontbreken, is een krachtige opbouw van de bundel. Dit in tegenstelling tot (maar hoe kan het ook anders zou ik haast zeggen) de debuutbundel, die onder de geoefende redactie stond van Gerrit Komrij. Het ei in mezelf vormt een allegaartje van gedichten, kris kras door elkaar wat de inhoud en de stijl ervan betreft. De indeling in twee delen lijkt een wat gekunsteld trucje dat niet in staat is de onderlinge ongebondenheid op te heffen. Bij het citaat van William Shakespeare, dat op het schutblad prijkt, mag wat mij betreft dan ook een vraagteken geplaatst worden: Though this be madness, yet there is method in 't. Het haast noodzakelijke besef dat elk gedicht daarom als een losstaand werk benaderd dient te worden, dwingt het respect af dat deze bundel als geheel verdient.

Philip Hoorne Ė Het ei in mezelf
Uitgeverij 521, Amsterdam 2005; 47 blz.; Ä 16,90
ISBN 90 499 7007 9



[gepubliceerd: 16 december 2005]
 
^