Meander * Eerder * Recensies * Poëzie in proza - Jan Willem van der Weij
 
Poëzie in proza
Een einde aan het speuren
door Bouke Vlierhuis

Eindelijk! Lange tijd dacht ik zo goed als alleen te staan in mijn liefde voor het schemergebied tussen proza en poëzie. Eindeloos bladeren door verzamelde werken, zoeken op internet: het leek onmogelijk om als gewone lezer een volledig beeld te krijgen van de Nederlandstalige prozapoëzie. Maar nu heeft een groepje dapperen, onder leiding van Jan-Willem van der Weij, die ook voor de inleiding tekent, een geslaagde poging gedaan om de liefhebbers van prozagedichten - blijkbaar zijn zij talrijk genoeg om als doelgroep te dienen - te redden van het eindeloos speuren, de niet-begrijpende bibliothecaressen en de goedbedoelende maar onwetende boekhandelaren. Een dappere poging, want het moet een hele hoop werk geweest zijn, een zoektocht door zo goed als onontgonnen gebied. Zonder voorbeelden, zonder naslagwerken. De samenstellers zullen inmiddels wel eelt op hun bladervingers hebben van het doorspitten van al die bundels en tijdschriften.

Natuurlijk kun je, als je het boek dan eenmaal in handen hebt, een potje gaan mekkeren over de selectie van in totaal 150 teksten. Samenstellen is nou eenmaal kiezen en de keuzes van de ene liefhebber zijn die van de andere niet. Zelf verbaas ik me bijvoorbeeld, ondanks de verantwoording van deze keuze in het voorwoord, over de afwezigheid van Bert Schierbeek. Deze held van het Nederlandse poëtisch proza is niet opgenomen in deze bundel omdat zijn experimentele romans geen prozagedichten bevatten en de samenstellers geen romanfragmenten wilden opnemen. In dat licht zijn de drie fragmenten die het wel haalden uit Armando's Aantekeningen over de vijand - geen roman, toegegeven, maar ook niet echt een dichtbundel - op zijn minst op het randje.

Het valt ook op dat de variatie in vorm en thematiek van de gedichten ontzettend groot is. Deze verscheidenheid wordt naar mijn idee veroorzaakt door de nogal technische definitie van 'prozagedicht' die is gehanteerd. Als je alle in enige mate lyrische stukken waarbij de auteur zich niet heeft bezig gehouden met de bladspiegel een prozagedicht noemt, zet je de deur open voor hyperkorte verhalen zoals 'Flirt' van Mustafa Stitou, essay-achtige overpeinzingen als 'Randvoorwaarden' van Gerrit Krol, en taalexperimenten zoals de opgenomen stukken van Lodewijk van Deyssel. Hanteer je echter een engere definitie - in mijn ogen moet een prozagedicht hermetisch, abstract en dus honderd procent lyrisch zijn -, dan blijft er te weinig over om een bloemlezing te vullen. Dit, het belangrijkste, kritiekpunt op de selectie is de samenstellers dus eigenlijk niet aan te rekenen. Het roept echter wel vragen op bij de stelling dat, zoals de achterflap dikgedrukt beweert, het prozagedicht in het Nederlands een volwaardig genre is. Want, laten we eerlijk zijn, het overgrote deel van de opgenomen auteurs is óf relatief onbekend, óf heeft naam gemaakt in een ander literair genre. Nergens in de literatuurgeschiedenis van ons land is het prozagedicht als vorm verbonden met een grote naam, een stroming of een tijdperk zoals dat bij de Franse prozagedichten het geval is. Het prozagedicht is vaak een bijproduct, door zijn gebrek aan regels een mogelijkheid om in vrijheid te experimenteren. Een eigenschap, overigens, die het als genre alleen maar interessanter maakt voor de echte literatuurliefhebber.

En zo is er dus altijd wel wat te zeuren. Het doet niets af aan het feit dat Van der Weij en zijn team het Nederlandse prozagedicht een enorme dienst hebben bewezen door dit ruige landschap eindelijk eens in kaart te brengen. Ik ben ze er in ieder geval bijzonder dankbaar voor. Dit boek hoort naar mijn mening thuis in de boekenkast van iedereen die de Nederlandse literatuur serieus neemt.

Jan-Willem van der Weij c.s. (sam.) - Poëzie in proza. Een bloemlezing uit meer dan een eeuw Nederlandstalige prozagedichten
Querido, Amsterdam 2005, 158 blz.; € 22,50
ISBN 90 214 8769 1


[gepubliceerd: 15 december 2005]
 
^    deze tekst printen