| Meander * Eerder * Recensies * Poëzie Kort - Ten Berge, Dickinson, Achterberg, Catharina van der Linden | ||
|
Poëzie Kort
Gekozen en verzameld III
door
Joop Leibbrand
H.C. ten Berge (Alkmaar 1938), wiens
oeuvre bestaat uit dichtbundels (hij debuteerde in 1964 met de bundel
Poolsneeuw), novellen, romans, essays en vertalingen, heeft nooit
hoeven klagen over gebrek aan officiële waardering voor zijn werk.
Zo won hij naast een hele serie kleinere prijzen en nominaties de Multatuliprijs
(1987), de A. Roland Holstpenning (2003) en de Constantijn Huygensprijs
(1996). En zeer recent kwam het bericht dat hem de P.C. Hooftprijs
2006 is toegekend. De publiciteit die dit genereert zal ongetwijfeld
de belangstelling aanwakkeren voor zijn laatste roman, Blauwbaards
ontwaken (2003), zijn jongste dichtbundel, Het vertrapte mysterie (2004),
en vooral voor het onlangs verschenen en reeds alom gewaardeerde Op
een mat van gele veren, een bloemlezing waarin hij poëzievertalingen
uit de laatste vijfentwintig jaar verzameld heeft.Ten Berge, van de oprichting in 1967 tot 1980 de drijvende kracht achter het tijdschrift Raster, is naar letter en geest een kosmopoliet zoals er in de Nederlandse literatuur weinig zijn. Hij is niet alleen een kenner van de 'primitieve' beschavingen van Groenland en Canada, Midden-Amerika en Australië (landen waardoor hij uitgebreide reizen maakte), maar evenzeer gaat zijn belangstelling uit naar Oosterse culturen. Daarnaast is hij bijzonder goed op de hoogte van de moderne en oudere Europese en Amerikaanse literatuur. Een literair-culturele omnivoor derhalve, iemand die leeft in taal en die het als zijn taak ziet zoveel mogelijk van alles wat uit heden en verleden de moeite waard is te ontsluiten. Het is daarbij opvallend hoe zeer het eigen oorspronkelijke werk en de vertaalde poëzie een geheel vormen, alsof ze uit eenzelfde bron komen. In zijn inleiding ('In andermans huid' getiteld) schrijft Ten Berge dat vertalen de scherpst denkbare manier is om poëzie uit den vreemde van binnen uit te leren kennen. Uit het feit dat de twintigste-eeuwse dichters die hij vertaalde op hun beurt zelf ook vertaalden, concludeert hij dat transformatie kennelijk het parool is voor een open dichterschap. Bij Ten Berge daarom geen gesloten navelstaarderij in gedichten waarin de dichter aan zichzelf genoeg heeft; zijn inzet is stem te geven aan de veelvormigheid van culturele tradities, van mythisch-archaïsch tot modernistisch. In Op een mat van gele veren heeft Ten Berge zijn vertalingen (steeds met inleiding en toelichting) in drie delen ondergebracht. In de eerste afdeling vinden we virtuoos vertaalde Canto's van Ezra Pound, 'het voorbeeld van een dichter die zich de poëzie van anderen niet zozeer heeft toegeëigend als wel in het eigen werk heeft ingebed om haar te laten resoneren en opnieuw tot leven te wekken.' Hij vervolgt met sacrale hymnen en profane liederen van de Azteken, waarbij een enkel citaat uit de 'Liederen van angst en vertwijfeling' kan volstaan om de aantrekkingskracht ervan te verklaren: Zijn de mensen wel
mensen?
Zelfs hun lied is niet echt. Is er wel iets dat blijft leven? Is er wel iets dat goed afloopt? Waar we ook leven, waar we ook zijn, we blijven, mijn vriend, ongelukkig. Daarna volgen drie No-spelen, waarover Ten Berge – heel onthullend – opmerkt dat ze niet passen in een tijd van volslagen vulgarisering en banalisering, en derhalve 'een verademing [zijn] voor iedereen die het leven in een verminkte wereld af en toe opzij schuift om een ervaring van (onverantwoorde) schoonheid op te doen. Van alles wat Ten Berge aanbiedt, is dit het lastigste om affiniteit mee te voelen. Na twee liederen van de Spaanse mysticus San Juan de la Cruz besluit dit gedeelte met enkele gedichten van de Mexicaan Xavier Villaurrutia (1903-1950) uit diens Nostalgia de la muerte, o.a. de prachtige 'Roosnocturne'. De tweede afdeling bevat werk van dichters die min of meer Ten Berges tijdgenoten zijn: Mark Strand, Christopher Middleton, Gary Snyder (zeer vitale etnopoëzie), Nathaniel Tarn, Lindsay Hill, de excentrieke Armand Schwerner en de Schotse dichter Kenneth White (1936), 'een dichter die even enthousiast als ik de onherbergzaamheid van het (misschien schijnbaar) onaangepaste opzocht om aldus de geografie van het innerlijk landschap te exploreren.' In White bevalt hem vooral ook het besef van de noodzaak van een fundamenteel andere houding tegenover alles wat de aarde vertegenwoordigde: 'want de vraag is altijd/ hoe/ uit al wat zich voordoet en verandert/ de punten/ van werkelijke betekenis te kiezen/ om zo van de chaos/ een wereld te maken/ die duurzaam zal zijn'. Het gaat erom 'het leven in leven te houden', 'in overeenstemming/ met al het bestaande'. En dan eindigt het gedicht met 'er is alleen maar poëzie'. Ten Berge besluit met een ruime keuze uit het werk van de Zweedse dichter Gunnar Ekelöf (1907-1968): Een huivering speelt door de esp, het
avondrood krimpt
en alles wat onuitsprekelijk en ver was is onuitsprekelijk nabij.' Het is wat Ten Berge met overtuiging doet: het verre nabij brengen, stem geven aan het onuitsprekelijke. H.C. ten Berge -
Op een mat van gele veren. Poëzievertalingen 1968-2003
www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=berg025Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2005; 284 blz.; € 21,95 ISBN 90 253 0324 2 ***
Emily
Dickinson (1830-1886) schreef waarschijnlijk een kleine tweeduizend
gedichten, maar daarvan werden er tijdens haar leven slechts zes of
zeven gepubliceerd, en dan nog zonder haar toestemming. Dickinsons
weigering officieel te publiceren was een bewust besluit:Publication – is the Auction Publiceren – is het Veilen Of the Mind of Man - Van de Mens zijn Geest- Poverty – be justifying Armoe – is voor zoiets stuitends For so foul a thing soms excuus geweest - Haar faam is dus geheel postuum. Toch was het niet zo, dat zij zich niet om haar werk bekommerde, want achthonderd gedichten bracht ze onder in liefst veertig zelfgemaakte handschriftbundels. Tot 1864, toen hield zij daarmee op. De overige gedichten werden op losse papieren gevonden en heel veel gedichten werden nog opgedoken uit de duizenden brieven die ze aan bijna honderd contacten schreef; een correspondentie, die gedurende de laatste twintig jaar van haar leven, toen zij zich waarschijnlijk wegens een ongelukkige liefde vrijwel volstrekt geïsoleerd had, haar hele sociale wereld vormde. Vertaler Peter Verstegen heeft zich aan het immense karwei gezet een belangrijk deel van dit grote oeuvre te vertalen en onlangs verscheen in een mooie tweetalige uitgave van Van Oorschot het eerste deel van zijn project, een ruime keuze uit de bundels. Het is de bedoeling dat volgend jaar een tweede deel verschijnt met de overige poëzie en dat er ook nog een biografie komt van die bijzondere vrouw, die vanwege haar levenswijze en altijd witte kleding wel 'de non van Arnherst' (Massachusetts) genoemd werd. In een van haar brieven omschreef zij zichzelf zo: '[...] ben klein als het Winterkoninkje, en mijn Haar is weerbarstig, als de kastanjebolster – en mijn ogen, als de Sherry in het Glas dat de Gast laat staan –'. Dit deel bevat 340 gedichten, extra toegankelijk gemaakt door liefst 175 blz. commentaar dat als onontbeerlijk beschouwd moet worden. Verstegen geeft zeer veel achtergrondinformatie en verantwoordt voortdurend de vertaalproblemen waarvoor hij zich gesteld zag vanwege de unieke combinatie van enerzijds het sterke associatieve karakter van haar poëzie en anderzijds de grote compactheid ervan, nog gecombineerd met een vaak uitzonderlijke woordkeus. Ook qua vorm zijn de gedichten eigenzinnig. Ze schreef in een gebroken metrum, maakte een zeer ruim gebruik van halfrijm (een willekeurige klinker of één gelijke medeklinker volstaat soms al), gaf veel woorden hoofdletters en is bijna maniakaal te noemen in het gebruik van het liggend streepje, dat bij haar behalve als gedachtestreepje ook diende als komma, puntkomma en punt. Vestdijk, die haar ook vertaalde, toonde in een van zijn eerste poëzie-essays (Forum 1933, nr. 2, 5 en 6 – in z'n geheel te vinden op internet, zie hieronder) een scherp inzicht in haar poëzie: 'Hoe klein en onvolkomen is haar vorm, hoe scheef en duister vaak de zinnetjes, hoe onhelder de rijmen, hoe stamelend en hortend soms de toon; welk een onbeholpenheid, welk een gemis aan klassieke geschooldheid! [Maar] [m]oet men werkelijk wenschen, dat deze dichteres sonnetten als Rossetti, vijf-voetige jamben als Keats, prosodisch smeedwerk als Poe geschreven had? Hoeveel van haar poëtische intentie, van haar specifieke vormdrift zou er niet verloren zijn gegaan! Deze naakte, onopgesmukte vorm was nu eenmaal voor déze intentie de enig mogelijke uitdrukking. Niet uit onmacht schreef ze juist déze gedichtjes.' Hij concludeert: 'Het lijkt me onmogelijk niet op een of andere wijze te beseffen, dat we hier te doen hebben met volmaakt in haar eigen vorm uitgekristalliseerde kunst.' If I shouldn't be alive Als ik niet meer leven mocht When the Robins come, En de Roodborst kwam, Give the one in Red Cravat Geef die met de Rode Sjaal A Memorial crumb - In Memoriam-kruim - If I couldn't thank you Kan ik u niet danken, Being fast asleep, Is mijn slaap te diep, You will know I'm trying Weet dat ik mijn best doe With my Granite lip! Met Granieten lip! Deze anthologist's darling werd eerder door Jan Eijkelboom 'gladder' vertaald als: 'Als de roodborstjes komen/ en ik leef niet meer,/ geef die met de rooie das/ een kruim te mijner eer.// Als ik je niet kan danken/ daar ik het leven liet,/ weet dan dat ik mijn best doe/ met lippen van graniet.' (Wat blijft komt nooit terug, Meulenhoff, 1979) Veel van haar gedichten gaan over de natuur, liefde, de dood, eigen zielsprocessen en voortdurend benadrukt zij de onredelijkheid en irrationaliteit van christelijke zekerheden, stille strijd met haar orthodox calvinistische milieu - haar geloof was even vast als haar scepticisme sterk. Het is opvallend hoeveel aforistische gedichten zij schreef. Helder, geconcentreerd, altijd volstrekt onsentimenteel: Ze zeggen dat 'Tijd lenigt' -
Lenigen kan Tijd niet - Een Pees wordt sterker, met de tijd - Ook sterker echt verdriet - Tijd Peilt hoe Zwaar het was - Is niet iets dat Geneest - Genees je, dan bewijst het Je bent niet Ziek geweest - Kopen dit boek. Het is een schatkamer voor jaren. Emily
Dickinson - Gedichten I
www.americanpoems.com/poets/emilydickinson/Vertaald en van commentaar voorzien door Peter Verstegen Van Oorschot, Amsterdam 2005; 644 blz.; € 34,95 ISBN 90 282 4051 9 www.svestdijk.nl/emilydickinson/ ***
Bij Athenaeum - Polak & Van Gennep verscheen,
gebaseerd op de historisch-kritische editie uit 2000, een tweedelige
uitgave van Alle gedichten van Gerrit Achterberg (1905–1962), bezorgd
door Peter de Bruijn, Edwin Lucas en Fabian R.W. Stolk. In de eerste
band staan de gedichten die Achterberg zelf heeft gebundeld en die
hij aan het eind van zijn leven nog erkende, in de laatste door hemzelf
vastgestelde versie; in de tweede staat al het andere: het jeugdwerk,
inclusief Achterbergs bijdrage aan De zangen van twee twintigers, de
in tijdschriften geplaatste maar ongebundeld gebleven gedichten, en
al het overige werk, voltooid of onvoltooid - soms maar één
regel lang. De gedichten van Achterberg hebben altijd hun weg naar het grote publiek gevonden. Van de Verzamelde gedichten verschenen tussen 1963 en 2004 dertien drukken, goed voor zo'n 60.000 exemplaren, en van de bloemlezing Voorbij de laatste stad door Paul Rodenko werden sinds 1955 zelfs meer dan 100.000 stuks verkocht. Ook de bloemlezingen Het weerlicht op de kimmen door J.C. Achterberg – van Baak (1965) en Symbolen worden tot cymbalen door R.L.K. Fokkema (1991) werden een succes en voor het onlangs door Eva Gerlach samengestelde Eén meer dan ik tel zal ongetwijfeld hetzelfde gaan gelden. Voor de specialisten is er voorts een waslijst aan publicaties, die in 1948 begon met de essaybundel Commentaar op Achterberg (met opstellen van o.a. Sierksma, Rodenko en Sötemann), maar die pas goed op gang kwam na zijn dood met het dubbelnummer van Maatstaf (11e jrg. 1964, nr.10/11) en Nieuw Kommentaar op Achterberg (1966). Martien de Jong, R.A. Cornets de Groot, M. Schenkeveld, A.F. Ruitenberg - de Wit, Andries Middeldorp, R.L.K. Fokkema, Klaus Zickhardt, Fabian Stolk – de lijst met essayisten en wetenschappers die zich met het werk van Achterberg hebben beziggehouden (biograaf Wim Hazeu mag niet onvermeld blijven), is gemakkelijk met tientallen uit te breiden. Je hoeft er de in veertien jaargangen verschenen vijfentwintig delen van de Achterbergkroniek of de vijf afleveringen van Jaarboek Gerrit Achterberg maar op na te slaan. De poëzie van Achterberg doet kennelijk meer met de lezers dan je op grond van de dichterlijke aspecten alleen zou mogen verwachten. Is het de koppeling van het overbekende centrale thema aan zijn biografie? Voordat daarover het meeste bekend werd en zijn poëzie door platte geesten gezien kon worden als de esthetische manifestatie van een obsessioneel verstoord libido met psychopathische gevolgen, was zijn dichterschap al op een uiterst dominante manier invasief. Hij dringt onweerhoudbaar de persoonlijke ruimte van de lezer binnen en dwingt hem zijn eigen kijk op de dingen te laten varen en de visie van de dichter daarvoor in de plaats te stellen. In feite is Achterbergs jacht naar het ultieme gedicht dat het gat in zijn bestaan moet vullen, tegenover de lezer haast een agressieve, vijandelijke daad, waartegen de laatste zich alleen kan verweren door terug te lezen en te schrijven. Voor de ware Achterbergliefhebber schuilt de winst van deze nieuwe uitgave natuurlijk in het tweede deel. We vinden er naast Blauwzuur 22 gedichten uit De zangen van twee twintigers uit 1925 (het aandeel van Arie J. Dekker is niet opgenomen), 77 nagelaten gedichten uit de periode 1925-1944 en vijftig gedichten uit de periode 1945-1962, inclusief het drietal dat vroeger de VG afsloot: 'Critische massa', 'Fall-out' en 'Anti-materie'. Verder nawoord, korte biografie, bibliografie, verantwoording en de gedetailleerde inhoudsopgave met register op titel en beginregel. Dat laatste is lastig in het gebruik, want je moet nu altijd van het ene boek naar het andere. Helaas valt de poëtische winst van de 150 extra gedichten wat tegen. In De zangen van twee twintigers zoek je vergeefs naar ook maar één regel die Achterbergs talent verraadt; 't Brekend oog op 't licht Jeruzalem geslagen/ Vocht de Smart-man 't lijden uit is beslist lachwekkend, maar het is intrigerend om te zien hoe snel de drie-eenheid vrouw – vers – dood en de ondraaglijke spanning die dat oplevert, al direct na De zangen (december 1937 is dan nog heel ver weg) in zijn werk sluipt: 'Ik en de straten/ hongeren naar haar. [...] Ik bewaak m'n ziek zelf [...] maar ik sterf/ den gifdood van mijn gedachten.' Het is opwindend in de vroege gedichten strofen te lezen als 'Er ligt in de zon een vrouw te lachen/ Er ligt in mijn hart een vrouw begraven/ Er is in mijn bloed een vrouw verdronken./ Eeuwig staat ergens een vrouw te wachten.' Of: 'Toen, dat de dood het won van mij/ heb ik mijn handen in zijn schoot/ gelegd en hij beloofde mij/ een donker woord, dat leeft in mij/ en nu, langs alle eb en tij/ ga ik om antwoord voort.' Geschreven ruim vóór 1928! Dichter bij de debuutbundel Afvaart (1931) worden de gedichten sterker en komt hij tegelijkertijd steeds dichter bij zijn thematiek: '''Dat van de dood de overkant/ en van het lied de binnenkant/ over mij kome [...]', 'Gij die ik heb gekozen buiten deze/ tijden, waarin ik lig verscholen,/ enkel maar op u aangewezen'. In de latere gedichten (nog altijd van voor 1937) vallen regels op als 'gij zijt geworden/ adem en rijm, het bloed der woorden,/ en het vergaat, o laatste avontuur,/ of ik u zingend nog zal vinden op den duur.' Dit is helemaal Achterberg zoals we hem kennen. Bij
perioden was hij demon en weer dichter.
Beurtelings alomvatter en weer zelf-ontwrichter. Tot stof en tijd nog eenmaal samenstonden in haar heelal, en deze tegenstelling zwichtte. Achterberg lezen is een verslaving. Deel haar. Gerrit Achterberg - Alle gedichten; bezorgd
door Peter de Bruijn, Edwin Lucas en Fabian R.W. Stolk
Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 2005; 1268 blz. (twee delen, in cassette); € 54,95 ISBN 90 253 0216 5 Ga voor een unieke geluidsopname van Achterberg naar www.vpro.nl/programma/deavonden/afleveringen/6883068/ ***
Komrij en Warren/Molegraaf kennen haar
niet meer, maar Catharina van der Linden (1909-2002) leek een kleine
halve eeuw geleden voorbestemd te zijn een belangrijke naam in de Nederlandse
poëzie te worden. Tussen 1955 (haar debuut De visgier) en 1960
(Het pijnboomzaad) verschenen in een haast Achterbergiaans tempo (zij
scheelde maar vier jaar in leeftijd met hem) bij Van Loghum Slaterus
en Querido liefst zes bundels met gedichten waarin zij wilde getuigen
van de kiemen van taal en natuur; ze werden over het algemeen goed
ontvangen, al waren er duidelijke reserves bij critici als Anthonie
Donker ('het denkbeeld [wordt] niet altijd beeld') en Maurits Mok,
die met betrekking tot haar 'vereenzelvigingslyriek' vaststelde dat
'de overheersende indruk er een [is] van chaotische woekering'. Van
1977 (De klimmende boomvrouw) tot 1984 (De vissen vangende vrouw) kwamen
bij Nijgh & Van Ditmar nog eens vijf nieuwe bundels uit met poëzie
die in toenemende mate maatschappelijk geëngageerd is en waarin
vooral de preoccupatie met oorlogs- en vernietigingssituaties opvalt;
met name de angst voor het vallen van de Bom en de intrede van een
nucleaire winter is manifest aanwezig ('weldra loopt/ de laatste iemand/
nergens meer naar toe'). Vanaf 1986 tot vlak voor haar dood publiceerde
zij nog negen cahiers in eigen beheer, maar dat alles is slechts een
deel van wat zij geschreven heeft. Het Letterkundig Museum bewaart
vijf verhuisdozen vol handgeschreven nagelaten werk in allerlei genres
(gedichten, verhalen, hoorspelen, romans, vertalingen), keurig geordend
en in logboeken uitvoerig geadministreerd door een zelfbewuste vrouw
die zichzelf zag als de stap na de 'oude' poëzie van Vasalis ('het
onthoudbare gedicht') en die pretendeerde verder te gaan met het schrijven
van 'nieuwe' poëzie ('gedichten die een beweging genereren in
de lezer') dan Lucebert dat deed omdat zij meende iets visionairs te
hebben: De waarschuwing
luisteren naar dingen uit de verte vreemd en verontrustend helder aan mijn ingebouwde trommelvlies, mijn van verweg horen van de trilling uit de tijd. welk ongebreideld oor leg ik te luisteren waar? het hoort in mij omdat ik reeds toebehoor aan sidderleven in de ruimte om mij heen een voel-snaar door ijle vingers als een harp bespeeld. het ruist langs mijn gehoor: door al mijn openstaande luisterzinnen komt een golf van wilde doodsgeruchten. een oproep schrikaanjagend en méér dan wenk tot waakzaam zijn aan wie nú leven. Alle in het oog vallende vormkenmerken van haar poëzie zitten hierin: het lange, smalle tekstbeeld zonder strofe-indeling, het ontbreken van hoofdletters, de nieuwvormingen, de parlandotoon; daarnaast treft het gebrek aan distantie tot zichzelf, of positiever gezegd, de volledige inzet van de eigen persoon, die in veel andere gedichten nog wel eens leidt tot een soort kosmische zelfvergroting. Haar dichterschap was dus in wezen romantisch, maar haar talent schoot tekort om de grote inzet waartoe zij zich geroepen voelde waar te maken. De uitgebreide bloemlezing die Josée Waerebeek, haar laatste uitgeefster, samenstelde uit het gepubliceerde en nagelaten werk, zal waarschijnlijk de laatste publicatie zijn voor de vergetelheid definitief toeslaat – al valt niet uit te sluiten dat wie zich over een paar honderd jaar in het levensgevoel van de tweede helft van de twintigste eeuw wil verdiepen, bij haar de treffendste verwoording ervan meent te kunnen vinden. Jammer genoeg valt er op de uitgave nogal wat aan te merken. Een verantwoording van de keuze van de gedichten ontbreekt, en nergens wordt vermeld uit welke bundels of cahiers ze afkomstig zijn. Met een leeslint maak je zoiets niet goed. Catharina
van der Linden - Mijn duizendbladig boek. Gedichten uit een nalatenschap
www.querido.nl/boekboek/show/id=61927/dbid=12037/typeofpage=30186Tekstbezorging Josée Waerebeek, inleiding Maria van Daalen Querido, Amsterdam 2005; 254 blz.; € 19,95 ISBN 90 214 7301 1 [gepubliceerd: 27 december 2005] |
||
| ^   | deze tekst printen |