Meander * Eerder * Recensies * Maanreiziger - Bernhard van Loon
 
over de poëzie van Bernhard van Loon
Een retourtje naar de maan
door Jan de Bas

Uit de titels van de dichtbundels van Bernhard van Loon (Rotterdam 1953) blijkt continuïteit. Heette de eerste bundel aarzelend en bescheiden Voor wie klein begint (1987), de tweede bundel bestreek al een grotere kosmos en leefwereld: Raken aan de grens (1994). En in de derde bundel verlaat de dichter zelfs het aardse om zijn werk aan te duiden: Maanreiziger.
Er is in het werk van Bernhard van Loon sprake van een ontwikkeling m.b.t. de ruimte. Daarbij functioneert de ruimte als talig referentiekader en als fysiek terrein waar de gedichten zich afspelen. Maanreiziger begint met een paar gedichten die met hun woorden in de aarde staan. Maar de paarden in het tweede gedicht krijgen al te maken met de wind en de koeien in het volgende gedicht verlaten stapje voor stapje het daglicht. Ze grazen langzaam richting de grenzeloze ruimte van het donker. In de bundel lijkt na een relatief aards begin, de hemel op aarde neer te dalen. De maan komt als het ware de reiziger tegemoet. Het gedicht 'Berg' symboliseert deze ontmoeting tussen de mens en het hogere: Iedere morgen legde/ de lucht heel ligt de hand op haar rug.
Met beelden van vlees en bloed probeert de dichter een beeld te schetsen van een verschijnsel dat zich tussen hemel en aarde bevindt, iets dat tussen wolken en aarde is. En hoewel zij niet als zodanig gelokaliseerd is, lijkt 'de maanzieke koe' uit het volgende gedicht op de berg te grazen. De maan lijkt bezit van de wereld te nemen en zo keert de dichter het verwachtingspatroon om. De bundel gaat blijkbaar niet over een ruimtevaart, niet over een tocht met raketten, astronauten en onbekende planeten. Nee, de andere ruimte daalt op ons bestaan neer. Het metaforische maanlandschap neemt van ons bezit en wij mogen in dat landschap bestaan, stilstaan, beseffen dat we er zijn, dat we existeren.

Na de sneeuw

Dag adem van jou
dag die van mij

hand in koude hand
houden elkaar

niemand bezit meer iets
op deze witte morgen
zijn wij

maanreizigers op
goed geluk .

Zelfs 'een zeker opperwezen' lijkt zijn hemelse omgeving in het gedicht 'Haut Vercors' te hebben verlaten om de dichter te wijzen op het hoge, nauwelijks te evenaren schone etc. van het bestaan. Zo zijn de gedichten in Maanreiziger doordrenkt van een idioom dat het leven op aarde omtovert in een bestaan en ruimte waar bergen, sneeuw, de maan en het fletse zonlicht het voor het zeggen hebben.

De titel Maanreiziger zet de lezer - zo lijkt het - op het verkeerde been. Je gaat als een astronaut even wankelend door het leven. Sta ik nog wel met beide benen op de grond? Ben ik nog wie ik ben? Zie ik nog wat ik zie? Hoor ik nog wat ik hoor? Ja, je moet als dichter op de maan zijn geweest om het volgende vers te kunnen schrijven. Een gedicht van een maanreiziger, volgens mij het mooiste uit de bundel.

In de verte

Als een vochtige vinger
langzaam draaiend
aan de halsingang
van een halflege fles.

Geluid van kikkers
maar verder weg.


Bernhard van Loon - Maanreiziger
Monnier, Groningen z.j. [2004]); 68 blz.; € 9,95.
ISBN 90 806494 5 7
www.uitgeverijmonnier.nl/Bernhard.htm


[gepubliceerd: 27 januari 2006]
 
^    deze tekst printen