Meander * Eerder * Recensies * Toendra - Willem Thies
 
Willem Thies - Toendra
Het geluid van brekend glas zonder schade
door Bouke Vlierhuis

Nummer elf uit de door Gerrit Komrij geredigeerde Sandwichreeks is het debuut van Willem Thies (1973): Toendra. De bundel haalde inmiddels al een nominatie binnen voor de C. Buddingh'-prijs voor het beste poŽziedebuut van het seizoen 2005-2006. En al is hij daarbij in uitermate concurrerend gezelschap, het staat in ieder geval vast dat Toendra een indrukwekkend debuut is.

Meteen valt in dit boekje de 'sprekende' stijl van Thies op. Er worden ons verhalen verteld, maar geen leuke. De bundel opent met 'Sparagmos' (Grieks voor het ritueel in stukken snijden van een offerdier) waarin de gang van zaken aan de lopende band van een slachthuis wordt beschreven. Het is illustratief voor de hoofdthema's van Thies, waarvan de dood het belangrijkste is. Hij koppelt zijn fascinatie voor het sterven, zoals wel meer dichters, aan een fascinatie voor het lichaam en de aantasting ervan: 'Men [...] strooide zaagsel, aarde en kruiden in mijn buik' (In weerwil van een zeker einde), 'een doodgedrukte baby, een engel in scherven' (Al onze goede bedoelingen ten spijt), 'afgekauwde oren' (De stenen wachten), het zijn maar een paar willekeurige voorbeelden. Wapens komen we ook tegen in Toendra. Glasscherven, messen, kogels en gifgas, wapens in alle soorten en maten duiken op in bijna alle gedichten. Dat wil niet zeggen dat de poŽzie van Thies gewelddadig is. Sterker nog, tot expliciet geweld komt het eigenlijk nooit. De eerste drie regels van 'Ik wil het geluid van brekend glas' kunnen dus welhaast gelezen worden als een poŽtica:

ik wil het geluid van brekend glas zonder schade
een sneeuwlandschap zonder koude
een scherp mes zonder geweld

Thies gebruikt ook, en dat zie je niet vaak meer bij jonge dichters, veel katholieke symboliek. Zoals in 'Confessie':

Ik wil geen kaarsen, kerkkoor, kruisen, rozenkransen
Ik wil geen altaar, offerlam, tweesnijdend mes
Ik wil geen Christusbeeld, aartsengel, cherubijn
Ik wil geen broden, honing, vissen, rode wijn
Ik wil geen brandend braambos, geen ambrozijn
Ik wil geen predikant, priester of profeet
Ik wil geen monnik, maagd of martelaar
Ik wil geen zalvend, zegenend gebaar
Ik wil geen misdienaar in rood en wit
Ik wil geen wierookwalm, geen wijwater
Ik wil geen bijbel, biechtstoel, Babylon
Ik wil geen wonden in handen en voeten
Ik wil geen lansen in flanken gestoken
Ik wil geen mantel der liefde

In het volgende gedicht, 'De wijnrank', komt - ter compensatie? - Dionysos voor, die danst 'als een nietzscheaanse engel' met 'een kloppende erectie in zijn rechterhand'. En nog een gedicht verder sterft God van verveling bij gebrek aan oorlogsgeweld. Nee, wie op zoek is naar vrolijke rijmelarijen is bij Thies aan het verkeerde adres. Wat krijgen we van hem dan wel? Gedichten in een heerlijk pretentieloze, parlandostijl - soms iets te pretentieloos, zo ben ik geen voorstander van het gebruik van de afkorting 'm.a.w.' in poŽzie -, de mogelijkheid om morele oordelen zelf in te vullen en een aantal interessante stijlexcursies. Bescheiden beeldspraak, muzikaliteit en warempel ook 'De vuurvogelvanger', een schelddicht op een bekende langharige dichter/criticus. Een beetje flauw? Misschien, maar het zit goed in elkaar en deed mij toch van harte grinniken. En in het laatste deel dat, hoe welkom na al die geweldsdreiging, 'Wapenstilstand' heet is er zelfs een bescheiden plekje ingeruimd voor de liefde. Maar ook die toont af en toe een grimmig gezicht:

Zoals ik jou

[...]

Maar ik heb mij aan jou overgeleverd
In het volste vertrouwen:
Als een krijgsgevangene aan de vijand,
Wapens op de grond.

In hetzelfde gedeelte staat ook het interessantste gedicht van Toendra: 'De onmacht van Michelangelo'. Dit gedicht illustreert duidelijk het streven van de dichter om ander stilistisch gebied te verkennen. Het begint met een traagheid van beweging die atypisch is voor de bundel:

De onmacht van Michelangelo

De wind neemt happen van het gras.
Iemand legt bloemen op een onbemand graf.

Een wit kind wuift met een wijde arm
en begint stil te zingen.

Thies stuurt hier weg van de actie, weg van de ik-figuur die zo vaak de hoofdrol speelt in zijn gedichten en schetst een verstild, neutraal natuurbeeld. Maar in de volgende strofen wordt het al grimmiger. De Willem Thies die we in de rest van de bundel hebben leren kennen worstelt zich weer naar boven:

Een reepje stof hangt omlaag
van de stomp van een tak.

De wind haalt zijn hand door het gras.
Tandeloze kam.

'Stomp', 'tandeloze': de beelden van het desintegrerende lichaam dringen zich weer op. De dichter lijkt het ook door te hebben: hij is op weg terug naar zijn spreekstijl, naar zijn functionele, doeltreffende metaforen. En ook de 'ik' duikt weer op:

Een bij harpoeneert mijn arm
en verliest lijf en leven.
Zoals een ieder die tot in de kern
tracht door te dringen,
in de huid steken blijft.

In de laatste regel moet hij het toegeven. Het gedicht, dat hij zo graag een bepaalde kant op wilde hebben, verzet zich. Het laat zich niet schrijven zoals hij dat bedacht had. DŠt is de onmacht van Michelangelo:

Er is een steen die men niet vormen kan naar zijn hand.

En zo vangen we een glimp op van Willem Thies aan het werk. We zien hem als dichter als het ware groeien. Die onmacht is trouwens betrekkelijk want de meeste stenen die Thies opraapt vormen zich tot heerlijke poŽzie. Buddingh'-prijs of niet, Thies is een debutant om in de gaten te houden.

Willem Thies - Toendra
Uitgeverij 521, Amsterdam 2006; 48 blz.; Ä 16,90
ISBN 90 499 7016 8


[gepubliceerd: 1 juni 2006]
 
^