Meander * Eerder * Recensies * Gedichten - Frédéric Leroy
 
Frédéric Leroy – Gedichten
Titaan in wording legt zich neer
door Joris Lenstra

Mensen voelen zich om verschillende redenen tot de poëzie aangetrokken. Eén ervan is herkenning: het zoeken naar scherven van onze eigen identiteit in de woorden van andere mensen met als doel onszelf beter te begrijpen of begrepen te voelen. Poëzie als communicatie, maar dan op een ander niveau. Voor de dichter biedt het gedicht de mogelijkheid om zijn eigen identiteit te uiten, hoe verwrongen die ook moge zijn. Hij heeft daarbij het voordeel dat hij niet gebonden is aan een gespreksvorm, en een verhaal kan scheppen dat zo diepgravend en realistisch is als hij zelf wil.

Frédéric Leroy deed dat ook in zijn bundel Gedichten. Hoewel we het autobiografische met een vergrootglas tussen de klassieke elementen en de romantische clichés moeten zoeken, wordt ons wel een beeld zichtbaar. De dichter Frédéric Leroy schetst zichzelf:

Ik lach als een kleuter, de tanden
bloot, verzamel kluiten in de vorm
van vissen, sterren en paardenhoofden
bewaar ze in een zakdoek, orden
ze op slaapkamerlinoleum tijdens
lange, slapeloze nachten

(uit: Delver)

Hij gebruikt hier de taal om te mythologiseren. Hij is een kinderlijke verzamelaar. Elders schrijft hij over de liefde:

Het zal dan wel rechtvaardigheid heten,
dit overmoedig openslaan van armen
om de stormen te omhelzen, het dansen
op golfbrekers, ordeloos voetengestamp
op een verzand geweten – je was een kind

(uit: Rode laarzen)

Hij gebruikt hier de taal om zichzelf op te blazen, om groter te lijken dan hij is, om aan zijn leven ‘mythische’ proporties te geven. Let op de romantische verbintenis van de ‘ik’ en de ‘jij’ in beide fragmenten, van de ‘kleuter’ met het ‘kind’. Het kind heeft in de literatuur vaak connotaties van puur en onbeschreven, van open en ontvankelijk. De onbeholpen, nieuwsgierige kleuter die van de wereld chocola probeert te maken - mag hij wel zo laat opblijven van zijn ouders? - en alleen een âme soeur kan vinden in een ander kind, dat evenzeer verbaasd staat tegenover het geweld van de wereld,

In Gedichten komen veel woorden voor die gaan over opstand en geweld. Zo begint het hoogdravende Voor Hellas met: ‘Nee! Opdat dit land geen lege doos zou zijn / maar een opstandig, rammelend kerkhof’. De hamvraag blijft tegen wie Leroy in opstand aan het komen is. Het waarom moge duidelijk zijn: hij wordt verpletterd en kan niet ademen; hij moet een plekje voor zichzelf veroveren en kan dat niet anders dan middels de poëzie.
De tragiek is dat daarin de opstand tezelfdertijd wordt aangewend en afgeblazen. De titaan in wording (‘En mij rest het twijfelen tussen het voorzichtige / pootje baden en de blinde sprong.’ uit: Acapulco baby) legt zich neer bij zijn aardse gevangenis:

Ik ga soms nogal tekeer maar dan,
na een tijdje, kom ik tot bedaren,
streel het kadaver en proef
alles in de smaak van aarde.

(uit: Delver)

Doordat Leroy zich niet uitspreekt, blijft het de hele bundel door bij dit pootjebaden. Nergens heeft hij doorgezet en naar een essentie gezocht. De bundel verzandt vervolgens in de bekende ‘Belgische’, bombastische beeldspraak (van mij mag de grens wel weer eens dicht). De eerder door mij besproken Richard Steegmans (Ringelorend Zelfportret op haar leeuwenhuid, Uitgeverij Holland, 2005; Meander 275) was daar toch bedrevener in.

Daarnaast speelt in Leroy’s haast titelloze bundel de relatie tussen klassiek en modern. Tekenend is dat in zijn uitleg in de bijlage de Griekse maangodin Danaë naast de Quantum Mechanica staat, een natuurkundige theorie die het postmodernisme zeer beïnvloed heeft. Ook ene Mevrouw Alighieri komt in de gedichtenbundel voor, naar ik aanneem de moeder van Dante Alighieri. Dante bevond zich op de scheidslijn tussen het moderne en het antieke. Zijn leidsman in zijn Divina Comedia is de grote klassieke schrijver Vergilius, maar hij schreef De Comedia in het moderne Florentijnse dialect – dat later het Italiaans zou worden – en leverde er ook kritiek in op de samenleving waarin hij zich bewoog.
Overigens wantrouw ik bundels waaraan een bijlage met uitleg is toegevoegd, omdat daarmee de indruk wordt gewekt dat de gedichten niet helemaal gelukt zijn. Dat voor het lezen van het gedicht een kennis vereist is, die de lezer hoogstwaarschijnlijk toch niet bezit. Het brengt de lezer buiten het gedicht om tot het niveau van de dichter; voor mij een teken van zwakte van het gedicht.

Leroy’s behandeling van het klassieke element geeft ons een beeld van de rol die de klassieken in ons post-postmoderne leven spelen. Nog vormen zij de kleren waarin we ons kleden, de letterkunde waarin we gebaad en gevormd worden, alleen zien die kleren er nu anders uit. We zien niet langer de fraai verzorgde, alexandrijns omzoomde gewaden van de volledige mythe, maar de lapjeskattenjas, de weerspiegeling van onze vuilnisbakkenrasmaatschappij.

Kortom, Frédéric Leroy’s Gedichten: het belooft wat, schittert hier en daar, zoals in Requiem:

Maar wat als ze gelijk zouden hebben
die warhoofden uit Princeton en Cambridge
die ruiken naar stijfsel en kattenpis
en krijtsporen trekken in de schaduw
van zijne hoogheid dr. Hugh Everett II
kettingrokende paus in een Cadillac (met koehoorns),
geniaal en gespecialiseerd in het optimaliseren
van functies en het dodental
tijdens hypothetische kernaanvallen?

Maar wat het uiteindelijk heeft opgebracht, ik ben er niet kapot van.

Het boekje is verschenen in de Contrabasreeks, een fraai staaltje poëziemarketing. Als er voor mij één heilige graal gevrijwaard zou mogen blijven van het kortetermijndenken, dan is het de poëzie wel. Ik houd van dikke ingebonden boeken met riekende harde kaften, liefst zichtbaar aangedaan door het vele gebruik en met linnen bladwijzer. Boeken met gedichten, bestemd voor vele decennia en generaties.
Dit stoffige imago van de poëzie is al lang niet meer, mede dankzij de pockets. Door de moderne technieken kunnen grote hoeveelheden boekjes relatief goedkoop op de markt worden gebracht. In de jaren vijftig werd in Amerika de legendarische Poetry Pockets Serie uitgegeven door de San Francisco City Lights Press, waarin onder andere Howl van Ginsberg verscheen. In Nederland hadden we tegelijkertijd de Windroosserie met een vergelijkbare insteek: goedkope, democratische poëzie voor de massa. In die serie verscheen toentertijd onder meer veel werk van de Vijftigers.

In 2004 lanceerde uitgeverij Holland opnieuw deze Windroosserie. Chrétien Breukers, de oorspronkelijke redacteur van deze serie, pakte het jaar erop zijn boeltje en begon bij de kunstboekenuitgeverij BnM Uitgevers een spin-off van zijn eerdere serie, onder de banier van de Contrabas. De Windroosserie loopt daarnaast nog gewoon voort onder het redacteurschap van de bloemlezer Henk van Zuiden.

Beide series brengen flinterdunne bundels uit met werk van hedendaagse dichters, waarbij ook een debuut niet wordt geschuwd. Frédéric Leroy’s uitgave is goed verzorgd, hoewel het lettertype naar mijn smaak een tikkie te klein is. Het boekje is wel ingebonden in plaats van gelijmd, waardoor het duurzamer is dan enkele van mijn Random House pockets, waarvan ik sommige pagina’s als boekenlegger kan gebruiken.
Zulke uitgaven roepen bij mij Peter Verstegens uitspraak (Meander nr. 292) in gedachten: ‘Mij ergert de pretentie van allerlei volgens mij weinig verdienstelijke dichters. Er wordt veel te veel jong ontalent uitgegeven, kortom, allemaal bekende bezwaren en ongeveer zo oud als Rome’. Wat overigens niet wil zeggen dat dit zou gelden voor iedere uitgave van beide series.
Wel duikelt de poëzie op deze manier de populaire muziek achterna: poëzie als gebruiksvoorwerp. En of dat nou een vloek of een zegen is, valt te betwisten.

Frédéric Leroy - Gedichten
BnM Uitgevers, Nijmegen 2006; 48 blz.; € 7,95
ISBN 90 77907 23 8


[gepubliceerd: 16 juni 2006]
 
^