Meander * Eerder * Recensies * Kaddisj - Menno van der Beek
 
Menno van der Beek - Kaddisj
One-issue-gedichten die te vaak ontsporen
door Bouke Vlierhuis

Menno van der Beek is wat je noemt een dichter met een thema. Hij dicht namelijk vrijwel uitsluitend over de dood van een vader. En hoewel ik in het algemeen terughoudend ben bij het doen van aannames over het autobiografisch gehalte van gedichten durf ik er bij Van der Beek na drie bundels en zeven jaar wel van uit te gaan dat het om zijn eigen vader gaat. Bent u een vaste lezer van Meander dan zult u Van der Beek zeker kennen: een dozijn gedichten van zijn hand verscheen hier, waaronder vier die nu zijn opgenomen in Kaddisj. Enkele gedichten van hem werden ook besproken: zie Restauratie en The great Eskimo vocabulary hoax

De bundel bevat eerst twee reeksen gedichten, vervolgens het lange titelgedicht in een eigen afdeling en nog een epiloog. In het eerste gedeelte, getiteld De ridder van de droevige figuur eert de dichter een aantal helden. Bob Dylan, de paus, Harry Houdini, Sherlock Holmes, ze krijgen een rol in een gedicht dat vervolgens toch weer over de overleden vader blijkt te gaan. Het tweede en langste gedeelte bevat een aantal 'losse' gedichten.

In Kaddisj lijkt Van der Beek nu definitief afscheid te hebben genomen van de sonnetvorm die hij in het verleden zo graag hanteerde. Weliswaar telt een enkel gedicht nog veertien regels maar dat kan toeval zijn. De dichter kiest voor een vrijere vorm. Het lange, anekdotische gedicht Kaddisj lijkt zelfs veel op een prozagedicht. Deze verandering doet Van der Beek geen goed. Het lijkt erop dat hij bij het hanteren van een strakke vorm, gedwongen ieder woord te wegen, te passen en te meten, op zijn best is. In de vrijheid die hij zich in deze bundel gunt verdrinkt hij. Zijn regelval heeft iets willekeurigs gekregen, zijn zinnen worden schijnbaar afgebroken, alleen omdat er naar zijn mening genoeg woorden op de regel stonden. Zo worden enjambementen onnatuurlijk en dat schaadt de cadans van de tekst. Kaddisj zelf lijdt hier het meest onder en had, om dit te voorkomen, veel beter als werkelijk prozagedicht kunnen worden afgedrukt.
Meer dan eens ook begint een gedicht strak metrisch, op rijm zelfs, en ontspoort het vervolgens. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij Anno Domini dat vertelt over het ritueel waarbij de kamerheer van een overleden paus test of deze echt dood is door hem met een zilveren hamertje op het voorhoofd te slaan. De eerste strofe van het gedicht doet wat hij moet doen: hij brengt ons in de sfeer en maakt ons nieuwsgierig. Maar dan gaat het mis. Niet bereid of niet in staat zijn verhaal in de begonnen vorm af te maken, breekt de dichter de sfeer met een flauwiteit tussen haakjes: '.... Zegt hij niets, dan is hij dood // (de paus, natuurlijk, niet de camerlengo).' Het rijm komt daarna terug maar raakt door het gebroken metrum kant noch wal. Tot slot wordt ons in een, door het gebrek aan spanningsopbouw onvermijdelijke, anticlimax de boodschap van het gedicht letterlijk meegedeeld: 'Doodzonde, zeg ik, want het hamertje // voor eeuwig afgeschaft in zesennegentig / vertegenwoordigt toch een laatste kleine kans.'

Een ander probleem dat Van der Beek achtervolgt is zijn gewoonte zich te bedienen van al te onpoëtische spreektaal en uitdrukkingen. Natuurlijk, dat kan een stijlmiddel zijn, maar dan zou je een ironische lading verwachten. In deze gedichten kan ik die niet ontdekken en op mij komen veel zinnen daardoor over als dooddoeners. We lezen onder meer 'veelzeggend' (Consult) en 'verdrietig' (Avondgebit). Van een dichter willen we nou juist zo graag weten waaróm iets veelzeggend is en hoe het vóelt om verdrietig te zijn. We krijgen, kortom, te vaak zomaar een woord en geen beeld. Ook hierin spant het titelgedicht de kroon. Een fragment:

[…] Ik zing
heerlijke woorden vol betekenissen
die rechtstreeks uit mijn ingewanden opstijgen:
krachttermen stromen langs mijn nieuwe vullingen
terwijl ik dans op de pedalen. Dit is
de stemming die ik nodig heb. Ik krijg
de geest. Ik heb de mond vol nieuw materiaal.

Maar staan er dan helemaal geen goede gedichten in Kaddisj? Jawel. Wilhelm Tell bijvoorbeeld heeft een relevante titel, behoudt zijn cadans en bevat - een hele kunst! - een goed uitgewerkte woordspeling:

Wilhelm Tell

Mijn vader legt een appel op een bijbel
op mijn hoofd. Neemt zeven grote stappen
bij mij vandaan. Dit zijn geen grappen meer:
hij draait zich om en richt een pijl op mij.

'Het kan niet anders. Dit is mijn nauwkeurigheid,'
zegt vader. 'En het boek is voor de zekerheid.'

Een zucht. Hij zegt: 'Ik miste je. Als je eens wist
hoe jij op jouw beurt mij zal moeten missen.'

Van der Beek is geen nieuwkomer meer maar hij slaagt er niet in om een bundel vol volwassen, uitgewerkte poëzie te brengen. Zijn taalgebruik is te vlak en te arm en dat geldt ook voor zijn thematisch scala. Een one-issue-dichter: het kan werken maar dat is op voorwaarde dat het thema steeds verder wordt uitgewerkt, van verschillende kanten wordt belicht, en daarin schiet deze bundel tekort. Kaddisj bevat een paar degelijke gedichten maar overtuigt niet.

Menno van der Beek - Kaddisj
Uitgeverij BnM, Nijmegen 2006; 48 blz.; € 7,95
ISBN 90 77907 22 X


[gepubliceerd: 16 juni 2006]
 
^    deze tekst printen