| Meander * Eerder * Recensies * De martelgang - Frederik Lucien De Laere | ||
|
Frederik Lucien De Laere - De martelgang
Over poëzie, papier en podia
door Yves Joris
Philip Hoorne schreef in de Boekenbeursgids van Knack een mooi artikel over poëzie-uitgevers, Wat drijft de poëzie-uitgever, waarin hij terloops vermeldt dat in 2005 niet minder dan 150 dichtbundels verschenen. Om de twee dagen worden we dus poëtisch overdonderd met de zielenroerselen van de nieuwe Claus, Rilke of Poesjkin. Velen voelen zich geroepen om de steile heuvels van Parnassus te bestormen, maar de meesten halen zelden de bronnen van Castalia. Ze zwerven rond met hun enige publicatie als trouwe bondgenoot, zoekend als Diogenes naar een mens, een koper van hun werk.Een aantal weken geleden werd ik de gelukkige bezitter van de tweede bundel van Frederik Lucien De Laere. De dichter die in 2003 debuteerde met Paniek in het circus, een bundel die volgens het zesde zintuig van Patricia Lasoen uit de buik spreekt (zie de bespreking op Poëzierapport van reeds bovenvermelde Philip Hoorne). Meestal heb ik het gevoel dat mensen die uit de buik spreken zelden iets met de mond te zeggen hebben, of naast buikspreken ook een andere act nodig hebben om de mensen weg te leiden van nietszeggende woorden en gedichten. Bij Frederik Lucien De Laere heb ik mijn mening gedeeltelijk herzien. Als hij in verstilde verzen het bloedbad van Lidice weergeeft, dan zwijgt de wereld rondom mij. Minder dan 80 woorden heeft hij nodig om een van de meest moorddadige episodes uit de Tweede Wereldoorlog neer te schrijven.
Lidice
Toen kregen de mannen schoten in de nek in groepjes van tien voor het lek van de moord op Herr Heydrich. Vrouwen naar Gneisenau en kinderen alras naar ’t onderzoek om volgens het boekje te worden bepaald. Hij die met de parochianen lief en leed deelde stierf met hen want hij verloochende de knusse kudde niet. Na de lamentatie: de defragmentatie van kerk en karkassen en het overeind gebleven gras omprikkeld en omploegd tot een kaal knekelveld. Dit gedicht staat in het eerste gedeelte van deze driedelige bundel. Wat mij bij eerste lectuur opviel, was de gratuite benadering van vele gedichten, waarbij ik de indruk had dat ze een verbale uppercut willen geven op het podium, maar op papier al snel door de mand vallen. Taalspelletjes, woordspelingen, allerlei soorten rijm: u noemt het, ik toon het. Een voorbeeld van dergelijke poëtische benadering van een gedicht vindt u hieronder in 'Eczeeman'. Een contaminerende woordspeling, u weze gewaarschuwd.
Eczeeman
Sinds hij de zee vaarwel had gezegd en zich had toegelegd op het vervaardigen van netten was de pret er vanaf: de vervreemding van het vangen bezorgde hem een levenslang eczeem. Hij liep aldoor te krabben (hij was een schaaldier met een tekort aan tentakels) en kocht korte rakels om de jeuk te verneuken maar het lukte niet. Zo raakte hij in een net verstrikt en stikte. Daar sta je dan als poëzieliefhebber. Dit is voor mij geen gedicht meer, maar het na elkaar uitspuwen van woorden die de toevallige eigenschap hebben dat ze ofwel rijmen ofwel een woordspeling opleveren. Zou u een rakel kopen om de jeuk te verneuken? Een rakel? Ik moest even in Van Dale duiken om te vernemen dat een rakel een slap mes is van staal, koper of rubber voor het afstrijken van drukinkt of –verf bij rotatiedruk. Als ik jeuk heb, zou ik, ondanks nagelbijten, toch mijn eigen tien geboden gebruiken. Nu ja, als je als dichter dan dadelijk aan een rakel denkt, dan moet je dat inderdaad in een gedicht gebruiken. Er is iets mis met deze bundel. Ik kon er bij eerste lezing niet dadelijk de vinger op leggen, maar bij herlezing begon het te speelse rijm te ergeren. 'Ik eet niet, dus ik ben. / Ik ontken het niet-eten / en het van tijd tot tijd vreten / en ga verbeten door. //' (uit 'Anorexia'). Wat moet je met dergelijke verzen? Een parafrase van Descartes. Leuk, maar meer ook niet. Dan dat al te voorspelbare rijmspel van eten, vreten en verbeten. Combineer dat met een inhoud die zelden het anekdotische overschrijdt en een twijfel maakt zich van mij meester. Maar dan grijp ik weer naar het begingedicht van de bundel:
Dal der beenderen
Dit is wat rest: er rust een schat van een volk in dit dal als zalmen bijeengedreven om te sterven, de laatste psalmen klonken onder gemekker en gekerm. Zouden we het kunnen wekken en herschikken tot een ordelijk leger dat mordicus in elke steeg zou opereren om met wortel en tak te verschroeien nu eindelijk uiteindelijk de verschrikkelijk vijand? (…) We zijn nog in beraad, zolang knaagt het geweten. Toen ik dit gedicht herlas, wist ik dat deze bundel te vroeg verschenen is. Frederik Lucien De Laere heeft veel in zijn mars, maar de niemendalletjes van podiumgedichten doen de gedichten zoals 'Dal der beenderen' en 'Lidice' geen eer aan. Een dichtbundel moet net zoals goede wijn rijpen. Deze dichter toont dat hij veel in zijn mars heeft. Wellicht dat zijn jeugdige leeftijd een rol speelt in het feit dat deze bundel iets te snel op de markt gekomen is.
Frederik Lucien De Laere - De martelgang
Poëziecentrum, Gent/2006; blz. 56; € 15 ISBN 90 5655 343 7 [gepubliceerd: 30 november 2006] |
||
| ^   | deze tekst printen |