Meander * Eerder * Recensies * Emily Dickinson - Gedichten 2
 

Emily Dickinson - Gedichten 2
Een meedogenloze dichteres
door Rieuwert Krol

Rond Emily Dickinson bestaat een nog grotere mythe dan om de dichteres Vasalis. Veel van de beschouwingen over het leven en werk van Dickinson beschrijven het kluizenaarsleven waarmee haar leven eindigde. Jarenlang kwam zij haar huis niet uit en droeg ze alleen witte kleren. Deze mythe heeft voor een deel de betekenis van de poëzie overvleugeld en misschien zelfs van een betekenis voorzien die bij nader inzien onzinnig is. Zo beweerde Adrienne Rich in On lies, secrets and silence dat het beeld dat men van de poëzie van Dickinson heeft in het geheel niet voldoet aan een groot aantal van haar verzen, die zeer morbide en depressief van karakter zijn. De mythe van de non/dichteres schiep de verwachting van lieflijke en sentimentele gedichten die er makkelijk uitzien en dus ook wel makkelijk geschreven zouden zijn.

Toen Simon Vestdijk Emily Dickinson in 1933 in Nederland introduceerde (Over de dichteres Emily Dickinson, later opgenomen in Lier en Lancet) beschreef hij de relatieve onbekendheid van haar gedichten als een symptoom van de gedichten zelf: '(…) een zekere ontoegankelijkheid en hardheid (…) een moeilijk definieerbaar ascetisme, een weerbarstigheid, die zich het duidelijkst manifesteert in een totaal gemis aan aanpassing aan de publieke smaak.' Vestdijk geeft verder op superieure wijze een uitleg, duiding en historische context van en aan de poëzie van Dickinson die op dat moment nog niet voor de helft was gepubliceerd. Pas in 1952 werden voor het eerst alle 1775 gedichten uitgegeven van de dichteres die leefde van 1830 tot 1886.

Enige tijd geleden verscheen bij Van Oorschot het tweede deel van Peter Verstegens vertaling van de poëzie van Emily Dickinson. Deel één (2005) bevatte een keuze uit de gedichten die Dickinson bij leven in schriftjes had opgeschreven, deel twee is een keuze uit de overige gedichten. Deel drie zal een keuze uit de brieven van Dickinson bevatten en een biografische beschrijving.

Af en toe hoor je weer iemand die zegt dat vertalen van poëzie eigenlijk onbegonnen werk is, omdat in een andere taal de betekenis van poëzie nooit precies nog een keer met hetzelfde ritme en klankkleur te bereiken is. Dat is misschien wel waar, maar is volgens die strenge opvatting een gedicht dan ooit wel te begrijpen door iemand die een taal niet op precies die manier kent als de dichter zelf? Ik vind dat een erg nauwe opvatting van de betekenis van poëzie. Bovendien zijn goede poëzievertalingen een kunst op zichzelf. In Gedichten 1 vertaalde Verstegen bijvoorbeeld de beroemde regel 'After great pain, a formal feeling comes –' met: 'Een vormelijk gevoel, na grote pijn-'. Deze omkering is effectief, maar laat tegelijkertijd zien wat er in een vertaling verloren kan gaan. Het origineel is statiger dan de vertaling en staat meer als een krachtige uitspraak over wat het is om dat mee te maken, ellende. Want daar gaat de poëzie van Emily Dickinson toch vooral over: over dood, verlies en lijden. Maar dan op een nooit eerder en nooit later vertoonde wijze, namelijk elegant en helder.

Dickinson schreef poëzie die bijna terloops de meest indringende ervaringen verbeeldt. Zij is daar in haar beste werk zo goed in, dat het bijna tegen haar gaat werken en je de prachtige en gruwelijke beelden door de welgekozen woorden niet eens meer opmerkt. Haar intentie was echter groter dan het maken van mooie gedichten: 'De dichter steekt de lamp aan- / Waarna hij - dooft- / Hij moedigde de Pit aan- / Als het licht leeft // Aanhorig als een Zon- / Wordt Lens iedere Tijd / Die van zijn Omtrek nog / Het licht verspreidt-' (p.125).
Dit gedicht probeert in zo weinig mogelijk woorden de hele ervaring van het lezen van een oude, dode dichter te bespreken – in feite de vervulling van haar eigen wens na haar dood in eigen verzen voort te leven!
Het is heugelijk dat deze bundel er is; één van de beste Amerikaanse dichters in een eigen taal kunnen lezen is een voorrecht. Het is echter spijtig dat er geen poging wordt ondernomen om alles van Dickinson te vertalen. Waarom altijd een keuze?

Guus Middag schreef eerder over Verstegens vertaling dat deze niet soepel is, maar houterig. Liever las hij een vrije vertaling van Wilmink dan een letterlijke vertaling die alle leven uit de poëzie haalt. Maar moet een vertaling van Dickinson voldoen aan onze smaak of aan de karakteristieke eigenschappen van haar poëzie? In zijn verantwoording bij Gedichten 1 merkte Verstegen op dat hij geprobeerd heeft de vorm van Dickinsons gedichten te evenaren. Haar vorm was geënt op de volkspoëzie en bestond vaak uit een afwisseling van een drie- met een viervoetige jambische regel. Guus Middag vindt het strikte handhaven van de vorm minder belangrijk en wil graag een makkelijker leesbare tekst. Toch heeft, zo is in de informatieve toelichting en commentaar bij ieder gedicht te lezen, Dickinson een Engels of Amerikaans gebruikt dat nauwelijks overeenstemde met de gangbare vorm van Engels van haar tijd. Door te verlangen dat de vertaler de poëzie van een historische dichter versimpelt, verraad je - om met Milan Kundera te spreken - de testamenten van overleden schrijvers.

Ik denk dat bij de vertaling twee soorten motieven een rol kunnen spelen. In de eerste plaats de gedachte dat de vertaling zoveel mogelijk op het origineel moet lijken en dat op die manier de poëzie het zuiverst behouden blijft. In de tweede plaats de gedachte dat de 'sfeer' van een gedicht benaderd moet worden, waarbij niet noodzakelijk de precieze woordkeus behouden hoeft te blijven. Verstegen heeft duidelijk voor de eerste manier van vertalen gekozen. De vertalingen die het best geslaagd zijn, zijn dan ook die van de gedichten die ook in het origineel het begrijpelijkst zijn. En dat zijn wat mij betreft de gedichten waarin een alwetende instantie een situatie beschrijft waarin zij zelf niet betrokken is of waarin zij zich zodanig op afstand heeft geplaatst, dat het een beeld wordt tussen die verteller en de lezer in. Misschien is dat met alle zogenaamde 'confessionele' poëzie het geval. Wie te dicht op zijn eigen zielenroerselen blijft, kan nog zo mooi schrijven, maar blijft te veel verstrikt in zijn eigen emoties om het te kunnen objectiveren.

Het mooiste gedicht van Dickinson in deze bundel vind ik het volgende:

Het was haar laatste Zomer-
Wij hadden geen idee-
Het was of zachter ijver Haar
Doorstroomde, dachten Wij

Een nieuwe levenskracht
Gevormd van binnenin-
Maar Dood bracht licht in korte duur
En spoed werd helder toen-

Was elk van ons zo blind geweest
Toen er niets was te zien
Dan Haar Carrara Richtingbord-
Voor onze Botheid sein-

Toen onze Drukke Liefste dof
Doffer dan wij daar lag-
Was zij zo druk met –eindigen-
Wij –zo op ons gemak-

(p.113)

Het is een zwaarmoedigheid die het hele oeuvre van deze dichteres kenmerkt. Een ironische treurigheid zou ik willen zeggen. Vooral de laatste zin heeft naast de schrijnende constatering een element in zich van schaamte om het feit dat de dood een emotie is die een mens in ieder geval meer raakt dan de meeste andere zaken in het leven. Een emotie is altijd ook het gevoel dat je leeft en in zekere zin op je gemak bent. Ik denk dat Dickinson in die zin meedogenloze poëzie heeft geschreven. Ze wilde als het ware een kaart maken van alle emoties die een mens in verschillende situaties kan ervaren. Ze schrok daarbij niet terug voor de gemeenplaats gevangen in een mooi beeld. Het volgende vers is daar een goed voorbeeld van.

Als Men Zijn leven opgeeft
Valt afscheid van de rest
Niet zwaar, zoals wanneer de Dag
Het hele Westen lost

De Top, het langste zichtbaar
Vervult Hem nog met spijt
Maar als de Jodium bij Staar
Is het voor korte tijd-

(p.133)

De vraag hoe persoonlijk de poëzie van Dickinson is dringt zich vaak op, als was het alleen al om de dwingende formuleringen die overtuigend suggereren met iemand in gesprek te zijn. In dit verband is het ook zo dat de vorm van veel gedichten een formulering kent die bijna niet voor een publiek bedoeld was, maar vooral een dagboekachtig karakter heeft:

Lang ziek –mijn eerste goede Dag-
Ik vroeg om uit te gaan,
't Zonlicht te nemen in mijn hand,
De Peulvrucht aan te zien- (…)

(p.39)

Aan het eind van zijn artikel over Emily Dickinson beschrijft Vestdijk zijn verwondering over het feit dat als je naar een foto van haar kijkt, die waarop ze je aankijkt, dat je dan onmogelijk kunt begrijpen dat al die vormgegeven emoties uit dat lichaam kwamen. Bij haar foto denk ík aan haar tientallen schriftjes met die honderden gedichten die niemand las, terwijl zij schreef aan weer een nieuw gedicht. Nu is er de vertaling.

Emily Dickinson - Gedichten 2
Van Oorschot, Amsterdam 2007; 568 blz.; € 34,95
ISBN 9028240527 / 9789028240520


[gepubliceerd: 6 oktober 2007]
 
^