Meander * Eerder * Recensies * Gerrit Komrij Komrij's canon in honderd gedichten
 
Gerrit Komrij Komrij's canon in honderd gedichten
Niet het ijzeren repertoire
door Joop Leibbrand

De poëzie-essays die Gerrit Komrij vele jaren achtereen wekelijks schreef voor NRC Handelsblad werden met veel succes gebundeld in een drietal uitgaven. In Liefde Bloeyende. De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in 100 en enige gedichten verscheen in 1998 en was meteen goed voor een Gouden Uil. Drie jaar later verscheen Trou Moet Blycken of opnieuw In Liefde Bloeyende en in 2005 kwam met Kost en inwoning. De Nederlandse poëzie in enige nagekomen gedichten nog een klein restant. Het bracht het totale aantal essays op 215. Een combinatie van trendgevoeligheid en lustig stromend bloemlezersbloed zal uitgever en auteur ertoe gebracht hebben hieruit dan weer Komrij's canon samen te stellen, dat precies honderd gedichten behandelt. Meer dan zestig beschouwingen komen uit de eerste bundel, het aandeel van de tweede is de helft kleiner en uit de laatste komt dan nog een handvol.

Aan de teksten veranderde Komrij geen letter, maar er moest uiteraard wel een nieuwe inleiding komen, die hij slim verdeelde in een 'Vooraf' en een 'Slotwoord'. De toon daarin is nogal badinerend. Hoe serieus hij het bloemlezen en de poëziebeschouwing ook zegt te nemen - hij benadrukt dat de gedichten alle op een bepaalde manier op een bepaald moment voor hem essentieel geweest zijn - hij ironiseert dat met deze honderd 'gedichten die ertoe doen' een onwrikbare canon zou zijn opgesteld. Een begrip als eeuwigheidswaarde wekt zijn lachlust op, het hele modieuze canongedoe is niet meer dan een amusant spel. Typisch Komrij: enerzijds met de grote stelligheid van al zijn gezag de betekenis van een bepaalde tekst benadrukken en anderzijds die invalshoek tot iets onbeduidends relativeren. Terecht overigens.

Komrij's canon in honderd gedichten bevat niet het ijzeren repertoire, zoals bijvoorbeeld De 30 mooiste gedichten uit de Nederlandse literatuur (1992) van Remco Ekkers dat wel doet. De enige overeenkomsten zijn het middeleeuwse 'Egidiuslied', 'Het schrijverke' (Gezelle), 'Het huwelijk' (Elsschot), 'Woningloze' (Slauerhoff), 'De idioot in bad' (Vasalis), 'Oote' (Hanlo) en 'Mijn moeder is mijn naam vergeten' (Neeltje Maria Min). Deze gedichten mogen zich dus écht gecanoniseerd weten.

Bij Komrij figureren relatief veel outsiders. Wie kent Joh. Buma (1794-1756), O.C.F. Hoffham (1744-1799), H. Riemsnijder (1744-1825), J. Kerbert (1820-1890), Alex Gutteling (1884-1910), Paul Verbruggen (1891-1966), Carel C. Scheefhals (1915-1995), J.M.W. Scheltema (1921-1947)? Voor de duur van deze bloemlezing worden ze hier tot heerlijkheid bevorderd.
Grote namen vinden Komrij's dichterswalhalla daarentegen gesloten. Waar Annie M.G. Schmidt welkom was, ontbreekt Van Alphen. Perk, Kloos en Van Eeden mogen generaties lang aan het begin van de moderne letterkunde hebben gestaan, het redt hen niet. Met Boutens is het eveneens gedaan. Tante en neef Roland Holst werden tijdens hun leven bijkans heilig verklaard, Komrij's zegen krijgen zij niet. Dat van de Vlamingen Van Nijlen, Minne en Pernath ontbreken is niet zo heel gek, maar dat Van Ostaijen niet werd opgenomen, is haast een provocatie. En verder geen Warren, Van der Graft, Andreus, Van Geel, Bernlef, Faverey, Jellema, Leeflang of Eijkelboom.
Van de huidige generatie is er dan weer wel plaats voor Rawie, Schouten, Lanoye, Holvoet-Hanssen, Huigen, Wigman, Pfeijffer, Heytze en Stitou. Het zij hun gegund, maar in een canon die geen canon zegt te zijn maar het ondertussen toch wel degelijk is, horen zij niet thuis.

Komrij's canon in honderd gedichten is in zeker opzicht een gevaarlijk boek. Voor je het weet valt het in handen van een hele generatie leraren Nederlands die nooit iets anders zullen lezen dan dit en daarmee door 99,99 procent van de Nederlandstalige poëzie een streep halen. Niet alleen zullen de dichters die er niet in staan er nooit geweest zijn, al het andere werk van de dichters die het wel haalden, verdwijnt natuurlijk evenzeer. Als Lucebert nog alleen de dichter mag zijn van het veertien woorden tellende Ik/Mij/Ik/Mij-sonnet, doe je hem en de poëzie ernstig tekort.

Voor wie de oorspronkelijke bundels miste, is deze bloemlezing een mooie kans om alsnog met Komrij's vlotte poëziebeschouwing kennis te maken. Maar het woord 'canon' zou op alle boeken moeten worden afgeplakt.

Gerrit Komrij Komrij's canon in honderd gedichten
Prometheus, Amsterdam 2008; hardcover, 416 blz.; 19,95
ISBN 978-90-446-1087-1


[gepubliceerd: 27 mei 2008]
 
^