Meander * Eerder * Recensies * Willem van Zadelhoff - Tijd en landen
 
Willem van Zadelhoff - Tijd en landen
Nooit was ik stiller bang
door Emily Kocken

Is herinneren vooral selectief vergeten? En is dan wat je je herinnert het herinneren waard? En zijn de middelen die je inzet om de herinnering waar te maken, toereikend? Vragen die rijzen als je Van Zadelhoffs fijne poëziedebuut hebt gelezen. Lenig vertellend roept hij beelden op, vliegt zijn pen langs de grijze stippellijnen van ooit bezochte landen en zet hij kleur en geur in als middelen om iets substantieels te behouden van verdwenen plekken en aldaar vervlogen ervaringen, een zandloper vol van zoekgeraakte tijd.

Tijd en landen is een bundel met een nostalgische, en naarmate het lezen vordert, steeds grimmiger sfeer. Of is weemoed een beter woord? Het kan liggen aan de personen die de schrijver oproept en de 'beroepen' die ze uitoefenen: een clown, duivenmelker. Het zijn vaak mannen die een directe verantwoordelijkheid hebben voor het ontwerp van de wereld of concreet zeggenschap hebben over het individuele of collectieve menselijk lot: architecten, een soldaat, een koning. Een criticus.
Maar het zijn wel mannen die het op een prachtige, tragikomische, verpletterend eenzame manier verknallen. De clown heeft een rode neus van de drank en weet zijn eigen vader pas te vermaken als hij van het koord afvalt, de duivenmelker omringt zichzelf met een verzameling klokken, blind voor het vertraagde vleugelwieken van zijn lievelingsduif. Pas in de herinnering komt het besef naar boven van die ene gemiste kans, dat er toen iets heel moois en bijzonders gebeurde, iets onherhaalbaars.
De mensen en de plekken die Van Zadelhoff in zijn uit vijf delen bestaande bundel oproept, gaan een wonderlijk verband met elkaar aan. Bestaande personen wisselen eigenschappen uit met fictieve, en wat een King Lear vergeet, weet een uit zijn krachten gegroeide reus zich als Hamlet op een bijzondere manier heel goed te herinneren.

Hamlet

op een foto van Diane Arbus kijkt een
echtpaar op naar een reus hun zoon
kijkt neer op twee dwergen zijn
ouders op een foto van Diane Arbus

ingeklemd tussen vloer en plafond
bekeken door een man die hem verwekte
bekeken door een vrouw die hem baarde
bekijkt hij wat hem verwekte
bekijkt hij wat hem baarde

denkt hij ik ben Hamlet
te Hamlet voor deze kamer

Dat de dichter een foto van Diane Arbus neemt, is geen toeval. Het medium fotografie klikt gebeurtenissen in een 'split second' vast in een raamwerk waar interpretatie, sociaal-culturele theorieën en politieke geschiedenis een diepere betekenis aan geven. Het werk van Arbus is van groot belang geweest voor de mens in de marge, de zogenaamde freaks of andere mensen die ongezien waren.
Van Zadelhoff doet iets vergelijkbaars, al is het vele decennia later en is het medium waarvan hij zich bedient een ander. Hij doet misschien iets veel complexers, want hij weeft prachtige spinsels tussen dingen en mensen, emoties en vorm; beschrijvingen van zintuiglijke impressies waaruit een gevoel van overdonderd zijn spreekt en van banale gewoontes die zo ingesleten zijn, dat geen mens ze nog weet uit te leggen. Hij weet het begrip sentiment een nieuwe lading mee te geven. Het is een woord dat vanaf het eerste gedicht opduikt en de hele bundel door als een vreemd klein wezen de bladzijden een knak geeft. Sentiment is door Van Zadelhoffs oprechte interesse in 'dat van toen' en de manier waarop hij 'wat geschied is' doorgeeft niet iets waar je je voor hoeft te schamen. Het maakt dat je minder ziet, en nog minder weet, maar het maakt tegelijk ontvankelijk voor het mooie van vroeger.
Doordat de dichter een nuchtere stijl hanteert, kan hij dit sentiment, deze nieuwe vorm van nostalgisch dichten, op een genietbare manier opdienen.

In het eerste deel komt vooral het kind aan het woord, een invalshoek waar je pas na een tijd achter komt. Daardoor wordt het eerste gedicht moeilijk te plaatsen. Het is onhandig, tactloos, gaat over de grenzen van de goede smaak, is dus misschien wel een beetje politiek incorrect. Of moet je het anders bekijken?

DIKKE DUITSMAN

een geur van seringen ruiken we graag
wenn de weiße Flieder wieder blüht zingt
o dikke Duitsman met bloesem in zijn haar
o dikke Duitsman is er dan niemand die je zegt
hoe belachelijk je bent niemand die dat op zich
neemt moet ik daarvoor dienen?
o seringen

Het kinderlijke of gespeeld seniele perspectief kan een proloog zijn voor de rest van de bundel, een vrijbrief dat de dichter zich alles zal veroorloven om te komen tot een juiste herinnering. Niet zozeer de meest ware, als wel de meest herinnerbare.
Deze gedichten laten zich lezen als tijdloze idyllen, maar vaak worden ze verziekt door iets, ontstaat er een grimmige sfeer als de verteller de verantwoordelijkheid voor de zich te voltrekken gebeurtenis eigenlijk niet wil nemen, maar haar dan toch pakt, zoals in het gedicht waarin een moeder een bijl wordt aangeprezen als 'je beschermengel, je vriend.'

In deel twee leunt de dichter openlijk op de inzichten van een ander, een autoriteit of een kunstenaar, zoals de Franse essayist en dichter Francis Ponge (18991988) over wie hij in 'Strandkei' een 'vondst' te melden heeft, waarbij ook Rimbaud ter sprake komt.
Ik denk dat de dichter zichzelf een bescheiden rol als vinder toekent en de namen van derden als motief inzet. Het is bijna als bij het bezoeken van een prachtige begraafplaats als Zorgvlied, waarvan je de namen van de overledenen niet als persoon hebt gekend. Het doet er niet toe, zij weten wat het was, en rondom hen waren er weer anderen. De indirectheid van de levenservaring geeft de dichter een authentieke rol als verantwoordelijke stem in het doorgeven en het behoud ervan.
Zoals Van Zadelhoff zegt in het drieluik 'Berglandschap / Oberösterreich': 'de mens is maar een riet / het zwakst in de natuur / maar hij is een denkend riet / steeds maar weer'. Het denken is een zegen en een vloek, en dat de mens daardoor zit opgescheept met een karrenvracht te herinneren herinneringen waarmee hij 'tracht de wereld te doorgronden', weet hij via intrigerende zinnetjes, geïntensifeerde kleuren en wringende woordparen uit te drukken.

In het derde deel zoemt de dichter in op wat steeds dezelfde vrouw lijkt, die na een organische vergroeiing met de natuur zich alsnog afsluit en zelfs het gefluit van een vogel afwijst. Deze schijnidylle ontwikkelt zich verder in deel vier, waarin de plekken centraal staan, de taal minder bloemrijk is, en de dichter een hoge mate van ecologische betrokkenheid aan de dag legt.
De mens is een ontwerper 'van nature' en heeft een natuurlijke natuur pasklaar gemaakt.

Zonder titel

daarvoor zijn geen lentes nodig
dat sneeuwlandschap verdraagt
geen nieuw seizoen het landschap

kleurt tergend grijs een ruisend
grijs dat elk verhaal zijn kracht
ontneemt elk woord in de hoek zet

In het vijfde en laatste deel, waarin ook het titelgedicht, weegt de dichter in retrospectief de pro's en contra's van een nieuwe natuursituatie, maar deze mentale status quo wordt meteen weer op losse schroeven gezet in een stijl die zich kenmerkt door mooi in elkaar schuivende beeldparen, en een onnadrukkelijk dynamische wisseling in perspectief. Knap vind ik Van Zadelhoffs ecologische bewogenheid en liefde voor een wereld die door menselijke ontwerpen letterlijk kapot gesneden is. Er is niets anders meer dan de menselijke geest die met de kracht van goed herinneren nog iets van deze slijtageslag en destructiezin kan compenseren.

Van Zadelhoff (1958) debuteerde in 2003 met de roman Een stoel. Zijn tweede roman Holle haven haalde de longlist van de Libris literatuurprijs 2007. Tijd en landen is zijn poëziedebuut.

Willem van Zadelhoff - Tijd en landen
Meulenhoff | Manteau, Antwerpen/Amsterdam, 2008; 64 blz; 19,95
ISBN 978 90 8542 127 6


[gepubliceerd: 4 juni 2008]
 
^