Meander * Eerder * Recensies * Arnoud van Adrichem Vis
 
Arnoud van Adrichem Vis
Advertenties van een cryptische copywriter
door Jan Pollet

Eindelijk! Gedichten uit de Googletijd.
Vis, het debuut van Arnoud van Adrichem (1978), klinkt als eenentwintigste eeuwse muziek in de oren en leest als een reeks advertenties van een cryptische copywriter.

Terwijl tachtig procent van onze Nederlandstalige dichtbundels anno 2000 en later zich nog altijd vrij klassiek presenteren, heeft Van Adrichem gekozen voor een unieke, eigengereide vorm. Wie de bundel vluchtig doorbladert, heeft niet meer het gevoel met gedichten te maken te hebben. Formeel en visueel presenteert de bundel zich eerder als een reeks ultra-kortverhalen, of - bij nadere lezing als een serie bizarre advertenties waarin de lezer onophoudelijk berispt en bekritiseerd wordt.
Poëtische stijlmiddelen zoals strofebouw, metrum, rijm, klank hebben plaats geruimd voor breed uitlopende tekstblokken zonder witregels. Het geheel is ingedeeld in negen series die luisteren naar koppen als: 'Grif', 'Hoek', 'Knop', 'Wreef', 'Oogst', 'Zand', 'Lucht', 'Bal' en 'Peer'. Maar vergis je niet: hoe eenvoudig en uitgepuurd de serie-titels ook klinken, de gedichten, gedachten zijn het allerminst.

De gedichten openen meestal met een vraag of een korte gebiedende vaststelling. Het is een veelgebruikte techniek bij copywriters: 'U wil er eens uit, maar u heeft niet veel tijd?' Na deze klassieke opener volgt meestal een wervende reclametekst waarin men de consument erop wijst dat hij eigenlijk droomt van een lastminutereis.
Op dit stramien van suggestieve vragen en halve bevelen zijn de gedichten in Visgebouwd.

Een onvermoeibare 'wij'-stem laat geen gelegenheid onbenut om de lezer (of misschien de dichter zelf) 'u' - attent te maken op zijn alwetendheid en alomtegenwoordigheid:

Geen bereik?
Wij weten u overal te vinden. Diepstoten onze masten
de hemel in, kabels raken de kern. Mensen bellen mensen.
()

Als een soort Big Brother raadt hij voortdurend de gedachten van de lezer, voorspelt hij reacties en peilt hij het diepste van onze gedachten. Je krijgt als lezer het gevoel nooit meer alleen te kunnen zijn, constant bespied te worden. Je maakt deel uit van een voorspelling die zich al voltrokken heeft.
Van Adrichem speelt een vergaand spel met de lezer. We kunnen ons niet verstoppen, en voelen de beklemming van een alziende blik die ons nooit met rust laat. Het is een poëticale strategie die haar effect niet mist: een gevoel van onbehagen maakt zich meester van de lezer. Als alles al beschreven is, dan heeft je identiteit je reden van bestaan, zeg maar nauwelijks nog betekenis. Het déjà vu-gevoel werkt, zoals bekend, vervreemding in de hand. 'Maar waar zijn de ambtenaren? / Aan wie moeten wij ons nu bekendmaken, / het bewijs tonen?', klinkt het pathetisch (al dan niet ironisch).

Het gevoel van identiteitsverlies wordt nog versterkt door de veelvuldige allusies op 'kopiëren':
* 'De zee kopieert golven'
* 'Kinderen kopiëren kinderen'
* 'Plagiaat is het mooiste woord dat u kent.'
* 'Kenneth Goldsmith schrijft de New York Times over.'
* 'Ik shal not repeat others' comment about me (John Ashbery)'

In het postmoderne gezelschap van Goldsmith, Ashbery, Ron Silliman en Bob Perelman, die letterlijk geciteerd worden, hoeft het niet te verbazen dat alle klassieke houvast verdwenen is. Onzekerheid, waarschijnlijkheid, toeval en een anti-ideologische houding - de ordewoorden van de postmodernen - worden in Vis door de autoritaire 'wij'-stem ironisch gecounterd.
Het spel met de lezer wordt geraffineerd gespeeld: je komt terecht in een flipperkast van uitspraken en tegenspraken. Geen wilde gedachtesprong is de dichter vreemd. Bij eerste lezing heb je dan ook het gevoel in een drammerige reeks oneliners en aforismen terecht te komen waarbij nog eens lustig geciteerd wordt uit popliedjes (Prince) en schlagers ('Een eigen huis, een plek onder de zon').

Welig tieren ook de wat ik dan maar 'auto-citaten' noem:

Een adempauze.
De vorige zin kan niets anders betekenen dan zijn
tegendeel, de volgende zin is nauwelijks obligaat.

Wij smurfen een gedicht. De zon komt op, bijna.
Sommige zinnen lopen dood. Dat kan voorkomen
worden. Is dit alles wat er is? Eén groot vraagteken?

In de laatste serie 'Peer', die eigenlijk over de appel gaat, ontstaat een intrigerend spel met de symboliek van de appel. De appel als universeel symbool van het verloren paradijs, als representatie van de globe, als symbool voor Christus, Willem Tell, en Sneeuwwitje in haar glazen kist. Het laatste appelgedicht en meteen het laatste van de bundel alludeert op de adamsappel:

Een appel is geen appel.
Geen enkel antwoord dringt nog door tot de man
die van vragen stellen zijn beroep heeft gemaakt.
Feitenkennis, medeweten wij moeten ingrijpen,
ooit. Het is zeldzaam zacht, het vruchtvlees hapt
naar lucht die er niet is dan binnenin de schil:
de keel ademt, haar zit een partje dwars, iets.
U slikt een keer en alles is voorbij.

Het failliet van de taal? Het failliet van de kennis? Of het o zo typisch postmoderne relativeren tot er niets meer overblijft? Of het ondoordringbare van alles?
Vis laat zich niet op één denkpatroon vastpinnen. Vis bewandelt alle wegen en dwaalwegen van het denken. Vis wil alles zijn, de recensie inclusief:

Aan ieder gedicht gaat een ander gedicht vooraf: de bronnen
Moet u zich er weer mee bemoeien! Hoeveel verwijzingen telt u?
En hoeveel letterlijke citaten? Wij zijn eenzame wolven op de kale steppen.
Dorstig delen wij de watervoorraad. De bronnen raken uitgeput.
Geen wonder dat wij onderdak zoeken. Een eigen huis, een plek onder de zon.

Van Adrichem laat een totaal nieuwe en eigentijdse klok luiden in de Nederlandstalige poëzie. Hij surft zich een weg door het denken zonder toe te geven aan gemakkelijke spelletjes met zoekmachines. Hij maakt een omcirkelende beweging en haalt de tang rond de keel van de lezer strakker en strakker aan tot hij 'een keer moet slikken' omdat alles voorbij zou zijn.

Bij wijze van postmoderne toevalstreffer verscheen onlangs 'De vis in ons' van Neil Shubin: lees er hier meer over en ontdek hoe wetenschap en poëzie soms in dezelfde vijver vissen.

Arnoud van Adrichem - Vis
Uigeverij Contact, 2008; 66 blz.; 19,95
ISBN 978-90- 254-1877-9


[gepubliceerd: 17 juni 2008]
 
^