Meander * Eerder * Recensies * Astrid Lampe - Park Slope. K'NEX Studies
 
Astrid Lampe - Park Slope. K'NEX Studies
Een nieuwe retoriek
door Joop Leibbrand

In interviews mag Astrid Lampe graag verklaren de pogingen om haar gedichten te begrijpen 'komisch' te vinden, want gedichten moet je ondergaan, uitleg maakt bijna dood. Je moet er gewoon inspringen vindt ze, en in haar geval kom je dan terecht in gedichten waarin ze de taal op een ongebruikelijke manier organiseert en de meest uiteenlopende vormen van idioom met elkaar vermengt. 'Wanneer je een woord of een zin kiest, dan weet je dat het een heel veld beslaat, dat er van alles in beweging komt. Bij taal heb je zo veel materiaal tot je beschikking dat je bijna een duizendpoot moet zijn om alle verschillende bewegingen die een zin teweeg kan brengen, te vatten.'

Ook al begin je dus aan de gedichten uit haar nieuwste bundel met de wetenschap dat ze niet begrepen mogen worden, je leest altijd met het oog op het ontdekken van betekenis en samenhang en in weerwil van wat ze beweert, doet Lampe er gelukkig toch zelf alles aan om de lezer op weg te helpen. De gedichten die ze voor het voetlicht brengt, krijgen op het proscenium (het voortoneel, het woord valt diverse keren) alle aandacht. Ze geeft regieaanwijzingen, voegt terzijdes in, geeft commentaar op de eigen handeling, levert stil spel, gebruikt meermalen de volgspot, zoomt in en uit, pauzeert betekenisvol, past geluidseffecten toe en dat alles opdat de lezer een dialoog met de tekst aangaat. Want dat het geheel van de scènes vaak verbijstert, wil niet zeggen dat ze apart gezien onbegrijpelijk zijn, of klinkbare onzin. Integendeel, en Lampe heeft de regie daarover vast in handen.

In Park Slope. K'NEX Studies wil Astrid Lampe ons geen sprookjes verkopen. 'kijk wel link uit!', zegt ze in het openingsgedicht, 'straks wéér de schuld'. Vandaar dan ook dat de eerste woorden van de bundel zijn 'er was geeneens'. Het is oppassen geblazen, zegt ze, want voor je het weet is er heel traditioneel 'een ter plekke', 'een u hier' en 'een ik', en als dat 'Een ik waar je u!' (Lampe geeft aan en de lezer mag aanvullen, het is een spelletje dat ze de hele bundel door speelt) wordt dat al gauw een 'Lyrische ik' en als dat gebeurt ben je 'significant in de bonen', dan dreigen er dus kennelijk ongewenste betekenisimplicaties. Met een harde return (letterlijk en figuurlijk) keert ze terug uit het sprookje dat geen sprookje mocht worden. Overduidelijk een poëticaal statement, en dat metapoëtische aspect is een onmiskenbaar kenmerk van de bundel.

Vanaf het begin speelt ze een pesterig spel met de critici onder haar lezers. Zo begint 'AL DIE WILLEN TE KAAP'REN– EEN BEETJE TITEL STAAT EN BALT OP STOOT UN BOEL LIEFDE VOOR ONS SAMEN' met 'een rekrutenkorps verbouwde ikjes loopt zich popelend stuk op de steil met / citaten bedauwde bladspiegel waar aanstonds de vent (zeer in vorm vandaag) / volmaakt ontspannen / abseilend / het voetvolk zijn stoppels zal tonen // of beter gezegd: zal laten BEVOELEN (wat jij, moedertje?)'.
En vrolijk provoceert ze de hele bundel door verder, in 'PADDO PADDO' bijvoorbeeld: 'zaligzij die die versjes zalvend (zakkammetje fluks weggestopt) écriture/ automatique blijven noemen (dada bla bla haha) rieken verdacht driekwart/ naar natte jassen bij hoog bij laag (het cellofaan der jehova's maar knisperen)', om te vervolgen met 'ALAS!' mevrouw, meneer, ga eens bij ALICE in de leer:'. Wie niet bereid is Lampe te volgen, vindt haar wonderland gesloten.

Het 'K'NEX STUDIES' uit de titel heeft ook zoiets uitdagends: 'eerst volgden wij college K'NEX / nu geeft hij het de beste jaren van zijn leven geen hond die hoe bestaat het roept / verstand van poëzie heeft iedereen de natte ogen zijn er altijd eerder (nooit ver / van huis): // mier melk je luis! // (ziet u wel hoe TERLOOPS ik hier … zo'n …heuse PAVLOV forceer prof?:huis, luis! / ja kom maar even bij bij mij) // loop ik gevaar? (uit DE JUISTE SKILLS.) Bepaald geen achternichtje van Hélène Swarth, deze Astrid Lampe!

K'NEX trouwens, en dat voor wie niet is ingevoerd in de speelgoedwereld, is een ingenieus constructiespeelgoed. Het bevat staafjes in alle kleuren, al of niet flexibel, connectoren waarmee je driedimensionaal kunt bouwen, wielen en tandwielen, motortjes die voor aandrijving kunnen zorgen, allerlei extra attributen, onder andere mannetjes en het mooie ervan is dat alles met alles is te verbinden en de vormgeving volledig vrij is. Zo gauw je iets maakt, bestaat het, heb je bijvoorbeeld 'EEN VUISTVOL VLUCHTIGE / IK-CONSTRUCTIES', zoals in ARTE POVERA. Bij deze minimalistische en conceptualistische kunststroming waarvan de stijl zich kenmerkte door het opzettelijk gebruik van eenvoudige en nutteloze materialen, en de expressie van obscure of tegenstrijdige betekenissen door middel van bijzondere gebeurtenissen en installaties, voelt Lampe zich vanwege de concreetheid kennelijk beter thuis dan in het eerder genoemde 'dada(-isme) bla bla'.

Even gefragmenteerd als de wereld is, is haar poëzie. Er is geen alomvattende coherentie en daarom kan een gedicht nooit gesloten zijn. Dichten, zo blijkt op iedere bladzijde, is voor Lampe een taalspel, waarin woorden naar plaats en betekenis worden gemanipuleerd. Ze bouwt op en breekt af en creëert daarmee ruimte, zonder zich ogenschijnlijk om de inhoud te bekommeren. Toch is er in haar spatiëring van de werkelijkheid sprake van communicatie, want hoewel de meeste gedichten met geen mogelijkheid zijn te parafraseren, Lampe is een verhalenvertelster en haar gedichten zijn dan ook eerder episch dan lyrisch.
Neem de beschrijving van hoe ze in het New Yorkse Park Slope, op de strandboulevard van BEACH BROOKLYN 'plankier van het puriteinse') op klaarlichte dag kans zag ('kans. zag /.zie .hi /.hà!') haar badpak al zittend af te stropen, 'al zittend / af! / zo / bloot van onder'.
Lampe laat hier meteen ook zien bijzonder humoristisch te kunnen zijn. Er zijn meer voorbeelden.
In een hilarische badscène levert ze ('homo bulla: de mens een zeepbel') strijd met een statisch douchegordijn dat aan haar dijen plakt, en op haar sterkst is ze als ze vervolgens slapstickachtig op de erotische toer gaat en probeert haar 'rozenknopje' in een 'spontaan kruisverhoor' tot bedaren te brengen ('gij schobbejak jij! / bottelse blote wil!) en daarbij zowel Schopenhauer (Die Welt als Wille und Vorstellung) aanroept als het Spaanse graan dat de orkaan doorstaan heeft…

Wonderlijke titels dragen de afdelingen en de gedichten, zoals '(onder het kopje Perfumes & Mulheres) JOOP!' , 'ALICE'S DATE / BLOGGER IN WONDERLAND (een beetje prof houdt er tegenwoordig een weblog op na)', 'ook in deze barbarij geldt', '100% wild rose... . rustiek bruggetje ... diepgang. inhoud,', 'tippelend langs de kaai van brainmaps het lage kruis van dit oliepak', 'vlugzout in de dug-out van onze privé drugstore', 'met de snelle break en een set op zak ', 'wie schaakt hier wie (gezellig) when we lov'our mom we give her'.

Veel namen vallen er. Naast Alice en Schopenhauer ontmoeten we Bill (Clinton?), jan zonder Vrees, Elvis, Proust (via diens madeleine), Apollinaire, Schwarzenegger, Barney (darter Van Barneveld), Cézanne, Trujillo, Barack Obama al en de schrijvers Haruki Murakami en Lobo Antunes.

Lampes dichterlijke palet is ongewoon kleurrijk, op het baldadige af. Bepaalde woorden, woordcombinaties en zinsfragmenten worden voortdurend herhaald, klanknabootsingen dringen zich op, er wordt zeer 'ondichterlijke' spreektaal gebruikt, compleet met allerlei inslikkingen, veel woorden komen uit de computerwereld, en er worden liedjes gezongen (Lampe lijkt vooral erg gecharmeerd van 'Kom konijntje doe maar wiebelen'!). Ook worden zinnen niet afgemaakt of onverschillig onderbroken, soms krijgt de lezer een keuzemogelijkheid aangeboden met /…/…, hele regels bestaan soms alleen uit puntjes …… (het typografische beeld van de bladspiegel doet regelmatig aan Van Ostaijen denken). De combinatie van dat alles zorgt voor een sterke, dynamische ritmiek die het associatieve karakter van deze poëzie nog eens extra versterkt.
Goed beschouwd confronteert Lampe ons met een geheel nieuwe, eigentijdse retoriek, even bombastisch als epaterend.

Kees Fens schreef ooit als A.L. Boom in 'Het geluk van flarden' (De eenzame schaatser, Querido 1978): 'Misschien vind ik al dat onvoltooide, de vele flarden en aanzetten wel zo mooi omdat ze je met de werkelijkheid van de kunst zo scherp confronteren: wat groot is in kunst is alleen in flarden te beleven en waarderen. Het totaal, de afgerondheid, is onbereikbaar. […] wat je aan kan in één keer, want alles wordt gezegd en alles is afgerond en de hele boel staat doorzichtig voor je, dat kan nooit goed zijn. Je luistert er ook nooit meer naar of je leest het nooit meer. Wat af is, is in feite onvoltooid; wat altijd onvoltooid blijft, dat is af.' Brakman was feitelijk eenzelfde mening toegedaan: 'Volgens mij moet kunst chaos aanbrengen in de orde, in dat wat te geordend is. Speelsheid op de rand van het verbodene, fantasieën, omspelingen, kortom: vrijheid van de geest contra de dwang der feiten.'

Multiperspectivisch en veelstemmig noemde Jos Joosten haar werk en Rob Schouten gebruikte de term 'taalprocedés'. Volgens Ilja Leonard Pfeijffer is een gedicht van Astrid Lampe al gauw 'een complexe asymmetrische Rorschachtest', 'een caleidoscoop van associaties, verbanden, beelden en gevoelens.' Haar gedichten zijn pas af, schrijft hij, 'als een lezer ze zijn eigen betekenis geeft door de moed te hebben zich duizelig te laten draaien in de cakewalk van haar schuivende panelen en onbetrouwbare houvast. De lezer moet meehelpen het gedicht voor zichzelf te schrijven en te verdwalen in dat proces. Zij schrijft geen betoog of verhaal, maar mogelijkheden. Dit is chaos waarin zich ontelbare mogelijkheden van orde aftekenen, maar geen ervan is definitief.'

Per axioma is het daarmee voor Pfeijffer 'goede poëzie' en al is het nog zo verleidelijk om hem daarin tegen te spreken, je moet hem uiteindelijk gelijk geven. Het is werk waarin je binnen de kortste keren verdwaalt en waaraan dus niet is te ontsnappen. Het is, om het in haar eigen woorden te zeggen, één en al 'rumspringa', één grote 'bron van krach'. Omdat Lampe zich alles veroorlooft wat de god van de poëzie ooit verboden heeft, levert zij de lezer over aan zijn genade. Je moet als poëzielezer met een behoudende smaak, met een voorkeur voor poëzie die parafraseerbaar is, voor anekdotische poëzie zelfs, heel wat overwinnen voordat je je aan Lampes benadering gewonnen geeft.

Het slotgedicht, 'DOCUDRAMA VAN EEN GEDICHT', is net als het eerste gedicht van de bundel programmatisch te lezen. Zo eindigt het: 'poëzie – vergis u niet – grijpt kans! // met ons hoofd in dit vlinderkabinet / […] / of het nu dans, profetie of het duurzaam onderhoud van je pneumatische / gereedschappen betreft het gaat zingen geheid krijgt het vleugels …dit nieuwe / lezen (denk je) en voor je het weet koop je een turf murakami en een turf lobo / antunes en leest ze // om en om'.

In een ver verleden was het ware doel van het dichten 'het schouwspel van het leven met passende emoties gade te slaan' (Wordsworth). Eigenlijk is er niets veranderd.
Taal is een activiteit, schreef Wittgenstein en precies dat brengt Lampe superieur in praktijk.

*****
Astrid Lampe (Tilburg 1955) woont en werkt in Utrecht. Zij debuteerde in 1997 met de bundel Rib daarna volgden De sok weer aan (2000) en De memen van Lara (2002), beide genomineerd voor de VSB Poëzieprijs, en Spuit je ralkieur (2005), bekroond met de Ida Gerhardt Poëzieprijs en de Schrijversprijs der Brabantse Letteren. Opgeleid tot chemisch analist vond ze via de Academie voor Expressie door Woord en Gebaar emplooi in de toneelwereld, waarin ze blijk geeft van een grote veelzijdigheid.

Astrid Lampe - Park Slope. K'NEX Studies
Querido, Amsterdam/Antwerpen 2008; 72 blz.; € 18,95
ISBN 978-90-214-3407-0


[gepubliceerd: 28 juni 2008]
 
^