| Meander * Eerder * Recensies * Annemieke Gerrist - Waar is een huis | ||
|
Annemieke Gerrist - Waar is een huis
Iets vinden in een zijstraatje
door Bert van Weenen
Een van mijn favoriete dichters is Martin Reints, van wie ik acht jaar geleden de bundel Tussen de gebeurtenissen besprak. De poëzie in de bundel Waar is een huis, het debuut van Annemieke Gerrist (1980), zit in dezelfde hoek. Gedichten met lange zinnen, veel witregels en strofen die steeds weer andere beelden bevatten, waarbij de som (het gedicht) meer blijkt te zijn dan de delen (de strofen). Gerrist gebruikt geen moeilijke woorden of ingewikkelde grammatica en de afzonderlijke zinnen bestaan uit duidelijke constateringen. Toch is de betekenis van een gedicht in zijn geheel minder snel thuis te brengen. Al die parallelle beelden creëren namelijk een klein universum waarin van alles mogelijk is.Deze manier van dichten is enigszins vergelijkbaar met de techniek die Alfred Schaffer hanteert in Schuim. Schaffers idioom is veel gevarieerder, dat wel, maar ik moet zeggen, dat de beperkingen die Gerrist zichzelf op dit punt oplegt, toch ook iets hebben. In Waar is een huis staat kale poëzie waar je als lezer van alles in terug kunt vinden. Er staat meer dan er staat. De poëzie van Annemieke Gerrist heeft – net als bij Reints dus – een mooie graad van abstractie. Tijd voor een citaat uit dit fraaie Bezige Bij-product: Vanuit een hoek voeder ik de eenden
Gaat er veel verloren? Op klompen begon ik met lopen Hoe heb je leren fietsen? In een zijstraatje waar niemand keek In een zijstraatje vind je altijd iets een oude auto of een geliefde Hoe ben ik in het park terechtgekomen? Verder zie ik ook verwantschap met de strakke poëzie – en misschien ook het proza – van Armando en met bepaalde gedichten uit het oeuvre van Kees Ouwens (m.n. vroege bundels als Arcadia en 'intieme handelingen). Net als Armando en Ouwens combineert Gerrist robuuste beelden met een laconieke visie, zodat haar poëzie nergens topzwaar wordt – iets waar de latere poëzie van Ouwens helaas wel onder lijdt. Het blijft bij Gerrist allemaal licht en vloeibaar; geen zwaar bier maar lichte champagne. In deze poëzie gaat het om associaties, niet om lijnrechte logica. Personages (een man, een vrouw, de ikfiguur) bevinden zich tijdens de voortgang van een gedicht soms opeens op heel andere locaties (in bed, in een boom, in het huis, buiten in de tuin, enz.). Je ervaart ook als lezer gaten in de waarneming. Duidt dit verschijnsel in Gerrists poëzie erop, dat het bij haar vooral om een werkelijkheid gaat zoals je die kunt aantreffen in een droom? Als een soort modern surrealisme? Soms zijn er ook trekjes van absurdistisch toneel à la Beckett en 'Herenleed' aan te wijzen: "Ik wou dat ik op mijn hoofd dezelfde hoed droeg / als toen ik zei dat ik een eend was" [14]. Een aantal verzen verscheen eerder in Hollands Maandblad, het tijdschrift dat Annemieke Gerrist de Schrijversbeurs voor poëzie 2006/2007 toekende. Aan de hand van één zo'n gedicht kan ik goed het belang van witregels in Gerrists poëzie laten zien. In het augustusnummer van 2007 staat op bladzijde 33 het volgende: Wij rennen er langs, langs de visfabriek en de strontwei,
de slager, roepen paardenmartelaars, klootzakken, en rennen naar de donkere sloot waar elke dag een man in plast, om negen uur, om één uur, om drie uur zodat vissen verschijnen aan het wateroppervlak En in het boek waaruit wij leren boekbinden leren wij de looprichting door het scheuren van papier: De eenvoudige handeling komt uit de handleiding We hebben een nacht rust gehad Dit is uiteindelijk in de bundel geworden: We rennen er langs, langs de visfabriek en de strontwei
de slager, roepen paardenmartelaars, klootzakken We rennen naar de donkere sloot waar elke dag een man in plast om negen uur, om één uur, om drie uur zodat vissen verschijnen aan het wateroppervlak In het boek waaruit wij leren boekbinden leren wij de looprichting door het scheuren van papier: De eenvoudige handeling komt uit de eenvoudige handleiding We hebben een nacht rust gehad Door meer witregels en een paar kleine wijzigingen in de enjambementen is er een sterker gedicht tevoorschijn gekomen. Dichten is ook, zo blijkt hier weer eens, schaven aan het materiaal dat je krijgt aangereikt. Tot de vorm zo perfect mogelijk is. Ook van het gedicht 'Ik weet niet of een huis een weiland is' uit hetzelfde nummer van Hollands Maandblad is de definitieve versie – met langere regels – duidelijk beter. Waar is een huis is de meest interessante bundel die ik het afgelopen halfjaar langs heb zien komen. Gerrists debuut bevat een serie gedichten van constante kwaliteit. Ik kan me een 'Verzameld werk' voorstellen dat uitsluitend bestaat uit dit soort gedichten. Het zou een prachtig boek zijn. Annemieke Gerrist: Waar is een huis
De Bezige Bij, Amsterdam 2008; 48 blz.; € 15,00 ISBN 978-90-234-2775-9 [gepubliceerd: 4 augustus 2008] |
||
| ^   | deze tekst printen |