Meander * Eerder * Recensies * Leo Vroman - Nee, nog niet dood
 
Leo Vroman - Nee, nog niet dood
Vroman of de gordiaanse knoop
door Ivan Sacharov

Mijn moeder was vroeger bevriend met een oudere dame, herinner ik me. Ze kreeg van die dame op haar verjaardag altijd een kaartje. Haast als een grap stond er de laatste jaren naast de vrolijke groeten en felicitaties ook 'ik leef nog!' op.
De titel van de laatste bundel van Leo Vroman Nee, nog niet dood doet me daaraan denken. Leo Vroman, klassiek geworden en inmiddels gepromoveerd tot een volwaardig lid van een voorvorige generatie van dichters, is behoorlijk op leeftijd zoals blijkt uit het volgende (derde) gedicht uit een reeks van 'Vier liefdes':

And, Lisa, here's my love for you,
not as container for some of my genes
poured into you by your own mother
but as a means to what it means,
how we both write so much
and so little to each other.

How far are we apart, how far
can our joint future hold?
In fifty-one years I'll be twice as old
as you
when you'll be seventy-one
and I one hundred and forty-two.

Not for you soon
but for your children soon
or for theirs perhaps
when this horizon snaps
under a giant moon
this old reality will be torn
in half and in its opened fly reveal
a busy bright ideal
new world being born.

What does it all matter?
In one more century
you and I will be
of the same age and matter.

Een heel aardig gedicht, met die mooie woordspeling in de laatste strofe. Alleen de tweede strofe doet zijn naam wel erg veel eer aan door ook twee keer hetzelfde te zeggen. Door de regels 'when you'll be seventy-one and I one hundred and forty-two' te vervangen door zoiets als 'Lisa, I wish I was twenty too' lijkt dat te kunnen worden voorkomen. Dan blijft het een beetje gek en weten we het ook van die leeftijd.

Van iemand die zo oud is kan men verwachten dat hij wat vaker aan de dood denkt. Maar bij Vroman is dat een beetje misleidend. Wie zijn eerdere bundels raadpleegt ziet al gauw dat de dood een vaak genode gast is aan zijn overvloedig gedekte tafel. Al in Uit slaapwandelen (1957, volgens mij zijn beste bundel) komt de dood geregeld voor. Bijvoorbeeld in het prachtige gedicht 'Indian summer', waar 'de lente des doods' is begonnen. En in een ander gedicht uit dezelfde bundel, 'Twee partijen', zoekt Vroman een derde partij, naast de partij van de levenden en de partij van de doden. Ook dit gedicht kan als zeer geslaagd worden beschouwd.
Het is niet nieuw dus, dat Vroman zich bezighoudt met de dood. Het verschil zit hem in de persoonlijke omstandigheden; de dood, mogen we veronderstellen, is niet langer alleen een gedachte voor de dichter, maar ook een realiteit waarmee hij gezien zijn leeftijd rekening moet houden. Geen wonder dus dat in zijn poëzie de focus daarop sterker wordt:

STIL MAAR, HIER BEN IK

My death will come to me un-spattered
by anyone else's blood and flesh;
it thinks my body, frail but fresh,
is all that mattered.
Poor reaperette, I let you be:
my death will die with me.

Ik ontwaak en weet nog niet
aan welk uiteinde van de nacht
dit schemer ligt, maar ik verwacht
het wit licht van een meteoriet
eerst boven de benedenstad,
dan langs het park, de rivier,
dan een tiende seconde hier
haastig langs het raam zodat
de dingen ijzerscherpe
maaiende schaduwen werpen
en ze maaien de wereld plat.

Tell your world, surviving friend,
or chisel it on any stone:
He was witnessing the end
of the world but it was his own.

Bijzonder in dit gedicht is dat de dichter Engels spreekt terwijl hij slaapt. Eerst is het een 'gewone' slaap, waaruit hij nog kan ontwaken blijkens de tweede strofe. Maar de tweede keer... Is dat niet hoe hij zich zijn eigen dood voorstelt? Een fraaie toepassing van het spreken in twee tongen! En nu ons maar weer afvragen waarom het Nederlands (Vromans' moedertaal, toch!) juist voor het waken wordt gebruikt. Heeft de 'American dream' hier iets mee te maken? Dan is dit gedicht waarschijnlijk geschreven vóór de huidige kredietcrisis. Maar wellicht is voor Vroman Amerika sowieso het land van zijn dromen, want hij heeft daar 'liever heimwee dan Holland'.

De dood is trouwens niet de enige die altijd mee eet. Vroman blijkt (als bijna alle grote dichters) de meeste van zijn onderwerpen trouw te zijn gebleven. Wie de nieuwe bundel leest, komt al gauw Tineke weer tegen, psalmen, (domme) heren, een persoonlijk aangesproken 'systeem', dictatoren en het krioelt natuurlijk van de miertjes (zonder de bekende piertjes, evenwel). Het volgende korte vanwege de ruimte gekozen gedicht brengt bij mij het gedicht 'Perspectief' uit de al eerder genoemde bundel Uit slaapwandelen in gedachten:

DE NACHT

De nacht van het noodlot zal dalen
boven steeds dommere heren
die rondom ons regeren
om ons einde te bepalen.

In de vallende vacht van dat lot
mogen de wapens nog even
zonder hun mensheid leven
en knallen elkaar kapot.

Hier kom ik op een punt van kritiek. Vroman ontsnapt als veelschrijver toch niet altijd aan het gevaar dat hij zichzelf herhaalt, wat vooral storend is bij de mindere gedichten van deze bundel. Je gaat je dan afvragen waarom ze eigenlijk geschreven moesten worden. De fantasie is er meestal wel (heel bijzonder voor een man van in de negentig), maar ze lijken soms minder compact, meer gevuld met stoplappen dan hun oudere broeders. En dan zijn er ook nog gedichten waarmee iets anders mis is:

UITERST INNERLIJK

Na veel onvoelbaar pogen
heb ik eindelijk mijn ogen
open gedicht,
maar zozeer naar binnen gericht
dat ze in de spiegel blijken
op 2 witte schelpjes te lijken
geen gezicht.

Dit curieuze gedichtje staat in Vromans' eigen handschrift op de achterflap van de bundel. Grappig, uiterst ingenieus, denk je na een eerste lezing. Vooral die zinsnede 'mijn ogen open gedicht'. Maar dan komt de twijfel. Hoe kunnen de ogen van de dichter, die naar binnen zijn gericht, in de spiegel 'blijken' op 2 schelpjes te lijken? Hij kijkt toch juist naar binnen en niet naar buiten, waar de spiegel is? Bedoelt de dichter misschien een andere spiegel, waarin hij zichzelf wel kan zien? Die van zijn gedachten, zijn zelfreflectie? Dan blijft dat 'blijken' toch wel erg vreemd. Iets kan naar mijn gevoel alleen blijken wanneer het zintuigelijk wordt waargenomen. De dichter had dat probleem natuurlijk wel kunnen omzeilen door in plaats van 'in de spiegel', 'in de ogen van een ander' te schrijven, maar dan gaat gek genoeg toch iets van de charme van dit gedicht verloren. Berust de charme, 'het intrigerende' van dit gedicht voor het grootste deel op een tegenstrijdigheid?

Eigenlijk wil ik dit niet. Dit zout gooien op slakken die ieder normaal mens lekker zou laten kruipen (behalve in zijn eigen kruidentuintje natuurlijk). Bij grappige of anekdotisch getinte gedichten leidt deze weg meestal niet tot het ware 'genieten'. Maar toch, na zoveel 'onvoelbaar pogen' had ik liever een wat meer 'invoelbaar' gedicht gehad. En invoelbaar wordt een gedicht voor mij blijkbaar alleen als het klopt, als het een eigen, innerlijke logica heeft die hoe gek ook al of niet bewust te volgen is. Een gedicht mag (moet?) dus wel een paradox, een 'schijnbare tegenstrijdigheid' bevatten, maar geen échte tegenstrijdigheid. Was er trouwens niet iemand die beweerde dat alle kunst in wezen berust op een paradox?

Hierbij is een kanttekening te maken. Hoe beoordeel ik gedichten? Laat ik daar eens over uitweiden. Opvallend: de meeste recensenten houden daarover (wijselijk?) hun mond. Nou ja, met de billen bloot durf ik te stellen dat een goed gedicht kan worden vergeleken met twee stukken touw die door een knoop verbonden zijn. Het bevat een paradox die niet gemakkelijk kan worden verklaard, maar toch geen echte tegenstrijdigheid is. Men kan trekken aan het touw wat men wil: de knoop blijft een knoop.
Niet-echt-goede gedichten bestaan soms uit twee stukken touw met een valse knoop. Wanneer men daaraan trekt blijft men met twee losse stukken zitten. Het korte gedichtje van Vroman? Met een echte tegenstrijdigheid erin valt een gedicht uit elkaar! En dan bestaat er nóg een soort van niet-echt-goede gedichten. Deze hebben ook een valse knoop, maar ik zou het liever een verwikkeling noemen: de kat heeft met het touw gespeeld, zonder echt geïnspireerd te zijn. Wanneer men dit soort gedichten analyseert blijkt meestal dat het maar om één stuk touw gaat. De knoop is niet echt of dient nergens toe. Het zijn gedichten zonder eigenlijke paradox. Men zou ze ook glijbanen kunnen noemen.

Genoemde valse knopen zijn illustratief voor wat ik tegen Vroman in deze bundel heb. Hier en daar bekruipt me het gevoel dat het korter had gekund, of dat de onderliggende gedachtengang niet helemaal deugt, dat het bijna raak is en daarmee ook helemaal mis. Daarbij bekruipt me ook de gedachte dat Vroman letterlijk álles uit zijn pen wil persen, alsof hij zijn wanhoop als het ware aan de lezer wil opdringen, hierdoor echter wel het gevaar lopend uit de bocht te vliegen, zoals dus bij 'Uiterst innerlijk' gebeurt.
Maar op de totaalindruk is dit niet van invloed. Wie van Vroman houdt vindt in dit boekje zeker wat hij zoekt. En er zijn zeer fraaie gedichten in te ontdekken, zoals bijv. 'Kladschrift!', 'De ander' en 'Late liefde'. Mooie vondsten ook: 'want wij ontworden wat we zijn', 'een warm verdriet', 'stemmen sterven de wereld rond'.
Valt er verder, na Simon Vestdijks' inzichtgevende essay 'Poëzie voor de ontploffing', (gebundeld met andere essays in Voor en na de explosie) nog iets te zeggen over de poëzie van Leo Vroman? Vestdijk wil met zijn metafoor het explosieve karakter aanduiden van poëzie die door vitaliteit, nonconformisme en taalvernieuwing de trekken aanneemt van het revolutionaire. Maar misschien kunnen we, terugblikkend op de ontwikkelingen in de wereld en in dichtersland, in een breder kader de metafoor iets anders gebruiken en nog dit zeggen: dat Vroman a.h.w. voor de ontploffing is blijven staan, terwijl de meeste moderne poëzie fragmentarisch als ze is door het ontbreken van een afgerond wereldbeeld zich af lijkt te spelen ná de ontploffing. Het is alsof de ontploffing het uiteenrukken en naar de prullenbak verwijzen van ooit toch zeer gekoesterde idealen Vroman niets gedaan heeft! En daarmee krijgt de titel 'Nee, nog niet dood' er weer een betekenis bij.

Leo Vroman - Nee, nog niet dood
Querido, Amsterdam-Antwerpen, 2008; 64 blz.; 16,95
ISBN 978 90 214 3414 8


[gepubliceerd: 20 augustus 2008]
 
^