Meander * Eerder * Recensies * Hester Knibbe - Bedrieglijke dagen
 
Hester Knibbe - Bedrieglijke dagen
Elk woord moet omgedraaid
door Jeroen Dera

Vrij vroeg in haar nieuwe bundel Bedrieglijke dagen formuleert Hester Knibbe een prangende vraag: "Hoe ontkom je als mier aan de lokdoos?" Ik beschouw dat als een vraag naar de mogelijkheden van de nietige mens om een vroegtijdige dood te ontlopen. Hoe doen we dat? Knibbes poëtische antwoord luidt als volgt:

Door kou voor te wenden, nauwlettend
je krappe cocon gesloten, je poten stijf
bij je te houden, zelfs niet toe willen komen
aan denken het is altijd toch altijd
dringen op weg naar een nergens


wezen we ver voorovergebogen. Ook
wie tenminste het lef heeft om tijdig afwijkend
door bermen te joggen, zich niet laat bedotten
door ginds en wie voor hem, ontloopt
voorlopig misschien nog de lokdoos.

Voor wie in de lokdoos de dood herkent en uitkijkt naar een verrassend inzicht over dit universele thema, zijn bovenstaande strofen ronduit teleurstellend. Knibbe komt niet veel verder dan de constatering dat mieren en mensen die in passiviteit berusten en risico's uit de weg gaan, doorgaans wat langer meegaan. Het is droevig dat ze een dooddoener van dat kaliber aan het papier heeft toevertrouwd, zeker omdat een woord als 'bedotten' ons nu ook niet bespaard is gebleven.
Het lokdoosgedicht is exemplarisch voor wat naar mijn smaak te vaak in Bedrieglijke dagen gebeurt: Knibbe verwoordt een weinig prikkelende inhoud in woorden die eerder ergernis oproepen dan bewondering. In de bundelafdeling 'Een bedrieglijke dag' bijvoorbeeld is de zee 'blauwbekkend', vallen er gouden torren uit de lucht en spreekt de dichteres over 'de diggelen van de dag'. Een rijmpaar als 'goed begin, McDonald's drive-in' valt slechter dan de slapste fastfoodhap en ook Knibbes associaties zijn aan de matte kant: wie in poëzie een pizza margarita met mozzarella verbindt, speelt teveel op safe om te intrigeren.
Het frappante is dat Bedrieglijke dagen wel degelijk verraadt dat we te maken hebben met een getalenteerde dichteres. De reeks 'Hond op de Akropolis' bijvoorbeeld is bijzonder fascinerend. In zeven gedichten beschrijft Knibbe een toeristische tocht naar de Akropolis, waar een verloren hond rondloopt. De dichteres heeft meer oog voor dit kleine detail dan voor de imposante oude tempels, wat op zich al een aardig uitgangspunt is voor een serie gedichten. De hond is niet de enige die verloren rondloopt bij het Parthenon: ook de toeriste geniet niet onbevangen van de architectonische attracties. De vervallen gebouwen roepen bij haar een waas van verlangen en herinnering op. Knibbes observatie liegt er niet om:


(...) Er zat een vrouw
met een kind, maar ze zit er niet meer
en het kind zit er niet meer. Er loopt

een vrouw langs de touwen
een blaffende hond op haar hielen.

Het is verleidelijk in de verloren toeriste Hester Knibbe zelf te herkennen: het is immers de dichteres die een kind verloor en dat via haar poëzie weer tot leven probeert te wekken. Dit biografische gegeven geeft Bedrieglijke dagen in het algemeen en de Akropolisreeks in het bijzonder een gelaagdheid die Knibbes hier en daar irriterende poëtische taal weet te compenseren. Het openingsgedicht van 'Hond op de Akropolis' is daarvoor illustratief:


Gekeurd en kaarten
gescheurd mogen we door.

Voor ons de weg glad
van benieuwdheid, van grote
grage voeten, trage kleine die mee

moesten. Het is als vroeger
een ongedurig duwen en dringen en weer
glipt die schaduw

honds mee naar binnen.

Op het eerste gezicht beschrijft dit gedicht simpelweg hoe het begin van een Akropolisbezoek er doorgaans uitziet. Men wordt binnengelaten als men tenminste niet de indruk wekt zichzelf ter plekke op te blazen en onderneemt de tocht naar boven. De volwassenen hebben er zin in, terwijl het cultuuruitje voor hun kinderen vooral een verplichting is. Men duwt en dringt in de hete zon, die de bezoekers een schaduw geeft die als enige zo brutaal is gratis naar binnen te gaan. Dat laatste beeld bezorgt de lezer een glimlach, maar verder is Knibbes beschrijving van het bezoek nogal standaard. Wie zelf de Akropolis bezocht heeft, herkent zich waarschijnlijk in het gedicht, maar verrast wordt hij niet. Je kunt daar nog aan toevoegen dat de stijlmiddelen die de dichteres inzet, eveneens weinig prikkelen: het rijm 'gekeurd-gescheurd' doet wat geforceerd aan en de (ook al rijmende) tegenstelling tussen grote grage en kleine trage voeten vind ik te makkelijk.
En toch: wie verder kijkt en de lagen opzoekt met Knibbes biografie en poëtica in het achterhoofd, vindt meer in dit gedicht. Om te beginnen is er de tweede versregel: 'gescheurd mogen we door'. Het enjambement versterkt hier het rijmpaar 'gekeurd-gescheurd', maar tegelijkertijd impliceert de regel dat naast de kaarten ook de vertellers van het gedicht gescheurd zijn. Dat klopt voor Knibbe heel mooi, want wie zijn er meer gescheurd dan twee ouders en hun overleden kind? Niet voor niets noemt de dichteres hier ook de kleine voeten: juist in haar beleving van het bezoek vallen de aanwezige kinderen ten zeerste op.
De passus 'Het is als vroeger' suggereert dat de bezoekers al eens eerder richting Akropolis gingen, en wellicht was hun kind daar destijds wél bij. Het zou verklaren waarom Knibbe twee gedichten later schrijft over de hiervoor geciteerde vrouw en haar kind, en het geeft ook de onbeschoft naar binnen glippende schaduw een fraaie ambiguïteit. Het gaat niet alleen om de schaduw van de bezoekers, maar ook om de metaforische schaduw van het overleden kind, dat de dichteres op weg naar de klassieke overblijfselen achtervolgt en niet met rust laat. Voor Knibbe is het onmogelijk te vergeten:


Bedenk hem maar eens
compleet met het vragende
dat hij heeft, zó dat hij er is. En denk hem dan

weg, compleet. Er moet ergens
een is zijn waar al het is in verdwijnt
dat zelfs de dunste abstractie

opheft. Vang het maar eens
met een lijmstok, vlindernet of blote
materie. Vang het maar eens.

Knibbes poëzie vormt zo het residu van een eindeloos verlangen dat pas naar boven komt als elk woord wordt omgedraaid. Dat vind ik aantrekkelijk: wie bereid is verder te denken en de gedichten in Bedrieglijke dagen opvat als gelaagde taalbouwsels van een verlangende ziel, wordt beloond voor zijn inspanningen. Zo ontkomt Knibbes bundel toch nog aan de lokdoos.

*****

Hester Knibbe werd in 1946 geboren te Harderwijk. In 1992 verscheen haar debuutbundel, Meisje in badpak. Haar werk werd bekroond met de Anna Blamanprijs en de Herman Gorterprijs.

Hester Knibbe - Bedrieglijke dagen
Arbeiderspers, Amsterdam 2008; 72 blz.; 16,95
ISBN 978-90-295-6668-1


[gepubliceerd: 27 augustus 2008]
 
^