Meander * Eerder * Recensies * Margreet Schouwenaar - Wegen om te komen
 
Margreet Schouwenaar - Wegen om te komen
De mens verstaat de mens niet
door Emily Kocken

Een stap vooruit, twee in de achteruit. In Wegen om te komen wandelt de dichter door een landschap dichtbevolkt met andere mensen. Ze lopen soms een eind mee als welwillende metgezel, zijn meestal aanwezig als obstakel. Kijken mee in de spiegel, jutten op - als vanouds en staan voortdurend sardonisch lachend in de weg.
Lastig.
De ouderen, sommigen al schim, anderen op de grijze grens van, dwingen de dichter tot stilstand. Zodat deze door middel van subtiel uitvoerige en 'lijvig' gedetailleerde beschrijvingen, alsnog bijdraagt aan een gedenkteken.
Vermoeiend.

Wegen om te komen leest als een originele reisgids van een mens (een vrouw in dit geval) die solo gaat en het hoofd koel probeert te houden ondanks de weerstand en afleiding van ongewenste gasten en gedachten onderweg.
'Ik ben een mens op voeten', zegt ze.
Raakt de dichter uit de pas?
'Ik zal wel geloven moeten / in de barmhartigheid van bermen. Waar schapen, / schedels, schillen. Waar vretend vee. Ik zal / wel geloven moeten / in de glorie van de weggelaten weg.'
Of gaat zij klankdichtend zingend, analytisch filosoferend, monter argumenterend verder, met verende tred over het elastische oppervlak van haar geliefde aarde? Is er een reisdoel?
'Er is hoop', zegt de dichter op besliste toon in het slotdicht waarin 'alles draaide om openen. Vond nergens iets dicht.' De openingen die gevonden worden onderweg, de mogelijkheid om aan een menselijke conditie te ontsnappen waar vervreemde grond en dreigend beleid de nivellerende dammen vormen, dienen uiteindelijk teruggegeven te worden aan de aarde.
Het wachten is op een essayist op stevige socratische wandelschoenen die Schouwenaars fascinerende vragen aanvult, als zij dit al nodig zou hebben. Want zij kan het prima alleen af, op haar tocht over de zelf gecreëerde en met fraaie klinkers beslagen wegen. Een route vol risico's, terwijl zij klautert aan zelfgeknoopte touwen tegen de steile wanden van oude herinneringen hoger en hoger, om uiteindelijk op een nieuw platform uit te komen.

In de bundel draait het om ontmoetingen waarvan de houdbaarheidsdata volgens de dichter allang verstreken hadden moeten zijn. Dit proces van onvrijwillig (anders dan onverwacht) ontmoeten is een complexe vorm van verplaatsen. Aan elke stap kleven draden van vroeger, de herinneringen aan bepaalde mensen niet af te schudden.
Is leven lopen, verder leven een losschudden van, proberen vrij te blijven van, in het reine komen met, heel te blijven ondanks?
De anderen, het andere, de herinnering aan een merkwaardige entiteit, half vriend half vijand, half vertrouwd, half vreemd dat binnen blijft dringen. Een vorm van schending van het ik, de annexatie van het hoofd, waarin vergeten invloeden van andermans geest zorgen voor mentale opstoppingen en de ongewenste virtuele wederopstandingen.



Ik had je zo lief. Ik nam je zoals ik je dacht.
Met je harde kop, je zwakke hart, je doodgeboren
lied. O, ik had je zo lief, en nu is de plaats
waar ik je zie het musée d'histoire van mijn kop
en sta je op in wat ik zeg, in wat ik zie.

Jij zou zeggen: alles gaat kapot. Op is op.
Weg is weg.

Maar ik vraag me af
hoe het komt dat ik je ook hier weer tref.


Schouwenaar is een dichter van veel woorden en zijlijnen en geniet 'zichtbaar' van de smaak en textuur van woorden, produceert nieuweling na (semi)nieuweling aan de lopende band. Of het nu gaat om een woord als 'papjammerend', 'kamschoon' of wanneer het fruit met zuinige vingers wordt 'befeugeld' en een moeder wasgoed strijkvrij 'knijpert'.
Schouwenaar construeert soms wat cryptisch, zorgt gelukkig voor genoeg zuurstof in haar brouwsels, werpt tijdig een leuk woord in de strijd ('frou-frou') en weet ook dronken uit de pas te raken als een gedicht haar te dicht bij de afgrond van het idiosyncratisch woordenrijk leidt.
Buiten de context getrokken, blijven Schouwenaars woorden trouwens lekker bekken. Ze hebben 'jus', al zijn ze soms zo smeuïg dat het lastig is te achterhalen wat de reden was voor het hoge 'yammie'-gehalte. En dan kan het zijn dat inhoudelijke goudzoekerij stokt, de inhoudelijke cadans stopt en holle woordkoorts begint. In een interview met Schouwenaar las ik dat zij het verliefd worden op een woord omdat het 'mooi' is niet schuwt. Ik zie ook geen enkel punt in het laten stralen van schone woorden. De manier waarop Schouwenaar bestaande spreekwoorden halveert en opgeint, vind ik soms wat minder. Maar de kitscherige uitschieters horen erbij, zijn zelfs nodig om de behoorlijk sombere toon van de meeste gedichten te relativeren.

Buitengewoon knap vind ik de geleidelijke omkering in de gedichtencyclus, wat boven was komt onder; de aarde met de langs elkaar kruipende mensmieren wordt zelf meer en meer het onderwerp. In het titelgedicht, waarin ook de stijl van de dichter naar mijn idee de inhoud perfect draagt, krijgt het licht vier (schuld?)vragen voorgelegd en wordt ondermeer een ongeluk en een mogelijke gang naar het hiernamaals in de schoenen geschoven.


Wegen om te komen

De bocht ligt los op het grijs van de berg.
Op het randje rijdt de bus. Regen glijdt
over grauwe ramen. Oogjes op overlevenden.
(De enigen die er zijn. De anderen te ver weg.
In zon, in steden)
Ergens klappen als zeildoek vleugels. Zal het
grote licht vallen?

De klinkers klinken helder onder haar
kristallen hak. Zij weet van gaan. De hemel
sluit als water rond haar hoofd. De straat
als kolk gelegd onder haar voet kent het
schuifelen tussen verlichte ramen waar
vaders geen vaders zijn, meisjes geen meisjes.
Zal het licht hier hurken?

[..]


Sterk in dit gedicht is de verbinding van de vier werelden (bus / bergweg, vrouw / straat, kind / stoep, man / zand) en het in elkaar klikken van de vier personages in hun eigen landschapsdelen. Het zijn publieke podia voor de dichter die de levenskeuzes van deze mensen angstvallig volgt en aan ons als getuigenis doorgeeft.
Zou het waar zijn, dat er meer sprake is van synchroniciteit tussen individuele mensen? Staat het vreemde en het bekende met elkaar in een causaal verband en kan een woord, een misstap, een lichtval, de eindrichting om- of zelfs rechtbuigen?

Schouwenaars verbale armen omvatten een breed universum. Op haar conceptueel panoramische hoogvlakte, een ethisch grensgebied tussen zijn en er (nog) niet (meer) zijn, laat zij haar personages eenzaam bungelen tegen een steile wand van menselijk onvermogen. Het kostte mij vele malen lezen en herlezen (en het kost mij moeite om dit te bekennen) om de emotie die afwezig lijkt te voelen.
Door de stijl die de dichter hanteert, de vele laklagen waardoor het woordobject heerlijk klinkt maar wat betekenisloos lijkt, is het soms hard werken geblazen om de intentie van de dichter te 'pakken'.

In het openingsgedicht, 'De wereld is een blik', geeft de dichter eigenlijk al duidelijk aan wat haar onderzoeksvraag is. Er is sprake van een ik en een jij en via een argumentatief poëtische stroom van vragen en mededelingen, krijgt de lezer een mogelijke conclusie voorgeschoteld: er is sprake van een verloren mens-zijn. Van een mens die nog lustvol en vol oerleven was voordat de woorden toesloegen. Maar de woorden als een goede blikopener gebruiken om contact te maken met wat de aarde aan de mens te geven heeft, doet de mens ook niet meer: 'Wie / maakt hem open als niet jij / en ik stampen op zijn geraamte, / tortelen in zijn wei, als niet / jij en ik de kracht van aarde / beschrijven, twee tellen in / de hals van een zwaan, / een weg in klinkers spellen.'
Het maakt Schouwenaars taaltechnische exercities begrijpelijker.
Ook in 'Muze misschien' lijkt zij haar angst te uiten voor het verlies van wat het mens-zijn zo authentiek maakt: de preverbale uitingen van het gevoel die paradoxaal genoeg alleen via taal geuit de mens als talig wezen boven de natuur uit doet stijgen. Een verlies dat ervoor zorgt dat de mens zijn 'groove' verliest, zijn jus. Ongezouten maar altijd nog plastisch en poëtisch levert zij kritiek op het klip en klaar maken en daarmee verknallen van respectvol intermenselijk menselijk verkeer, de inhumane kant van calculatie. En ze waarschuwt de 'jij' dat een gat dreigt, 'zwartgemaakt' als hij (of zij) de dingen passend maakt.

Schouwenaar heeft een mensvisie die niet optimistisch is, to say the least. Maar wat op het eerste gezicht koel, zelfs koud lijkt, blijkt een bedachtzame blik.
Schouwenaar heeft een hoop te melden over de menselijke positiebepaling: hoe ga je als mens om met alle mensen om je heen, de gegevens uit een jeugd, hoe kom je los van een geliefde, hoe geef je iemand een plek in je kop zonder zelf gek te worden? De woorden staan soms wat in de weg van de boodschap als die er al is natuurlijk want ze maakt het een lezer niet makkelijk. En ze zal lezers in het ontcijferingsproces kunnen verliezen. Een risico dat elke dichter neemt natuurlijk.

*****

Margreet Schouwenaar werd met haar eerste vier gedichten, die door De Revisor werden gepubliceerd, genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs in 1991. Zij schreef acht bundels en twee kinderboeken.
Zij is geboren in 1955 in Schagen en werkt als docent aan de Hogeschool INHOLLAND. Ook schrijft zij poëzie voor kinderen. Zie www.margreetschouwenaar.nl.

Margreet Schouwenaar - Wegen om te komen
Em. Querido's uitgeverij, Amsterdam / Antwerpen, 2008; 56 blz.; 17,95
ISBN 978-90-214-3410-0


[gepubliceerd: 19 september 2008]
 
^