Meander * Eerder * Recensies * Pozie kort
 
Godefrooij, Ulijn, Voos en Haagse zaken
Poëzie kort
door Joop Leibbrand

Kees Godefrooij bracht vorig jaar in één keer maar liefst drie bundels tegelijk uit: Zwarte Romantiek, een ode, Venus, dwingeland en Het spleen van Amsterdam. In Port & Rosé geeft hij met nieuwe gedichten uiting aan zijn fascinatie voor de literaire broeierigheid van lust en zinnelijkheid, de passie van trouw en ontrouw, de 'tomeloze vraatzucht van voluptueuze liefde'. Begeerte heeft hem duidelijk aangeraakt, ook al moet hij vaststellen 'er rust geen zegen / op mijn zwartromantische saterkop.'
De bundel bevat 36 eigen gedichten en een drietal korte vertalingen van Donne, Swinburne en Shelley en alleen al daaruit blijkt dat Godefrooij zich graag meet met de groten. Zo mag hij ook graag een bekende tekst als uitgangspunt nemen en daar dan, al is het vloeken in de kerk, iets heel eigens van maken.
Het bekende 'Do not go gentle into that good night' van Dylan Thomas ('Old age should burn and rave at close of day; / Rage, rage against the dying of the light.') wordt bij hem:

Waar niet teerhartig door de nacht
bevraag de goden naar haar streven
bemerk haar wanhoop eerst, en wacht
wacht tot de zorg is weggedreven

Naast de erotiek is ook zijn afkeer van de banale lelijkheid van Nederland en de bekrompen burgerlijkheid een thema in zijn gedichten, geheel zoals het een romanticus betaamt dus. De mooie lofzang op Toscane past daar dan weer goed bij.

****

Wat is een windhapper? Van Dale leert dat er drie betekenissen zijn: als maritiem woord is het een toestel dat via een patrijspoort frisse lucht kan binnenbrengen, in de volkstaal de benaming voor een opschepper en in gewestelijke taal de aanduiding voor verspreid liggende hoopjes hooi. Een dichtbundel onder die naam wekt daarom meteen de verwachting van een zich bescheiden opstellende dichter die zich niet aan hoogdravende onderwerpen wil vertillen, maar die wel de pretentie heeft een nieuw en zuiver geluid te laten horen.
Wat vinden we daarvan in de bundel de windhapper van Liesbeth Ulijn terug? In de eerste van de drie afdelingen laat Ulijn (1950) in gedichten over haar Gelderse land van herkomst, haar familie en vooral haar overleden ouders zien een scherp oog te hebben voor allerlei kleine bijzonderheden die tezamen vaak de kern van een herinneringsbeeld vormen. Er is een ik aan het woord die op een simpele, onnadrukkelijke manier in staat is de dingen te duiden, en daar zal het feit dat zij sociologe is niet vreemd aan zijn. Het gedicht 'dode ouders in je keuken' begint met 'het beverige handschrift zegt / dat rundvlees uren trekken moet / kroketten eet je op roggebrood // ik hoef maar soep te scheppen / met jouw lepel en ik zie / je hoofd nee schudden'. Helaas neemt zij lang niet altijd met deze eenvoud genoegen en dan gaat het prompt mis.

je fiets trapt zo zwaar

ik probeer al een jaar
te proeven van verdriet
dat sluimert onder het vel
van de dode tijd

je fiets trapt zo zwaar
je ringen passen niet
de armband wel
en die is kwijt

Proberen te proeven van verdriet, en dan nog wel verdriet dat sluimert onder het vel van dode tijd, is veel te nadrukkelijk 'gevoelig' en daarom in de slechte zin 'literair'. De lelijke contaminatie aan het slot (die elders in de bundel nog een keer voorkomt) maakt het er niet beter op.
Bij wijze van aanbeveling meldt de flap dat ieder gedicht een 'intiem verhaal' is en dat zij lid is van een schrijfgroep. Het is precies deze combinatie die aangeeft wat de kracht én de zwakte van deze gedichten is. Ulijn schrijft persoonlijk en zeker ook wel zorgvuldig, maar als zij diepgang wil suggereren zijn taal en beelden er vaak net naast. Het titelgedicht, dat helemaal aan het eind van de bundel geplaatst is, is daar een mooie illustratie van:

de windhapper

maar morgen wil ik niks
in de luwte mijn hoofd
leeg zuchten

mijn voeten lopen naar buiten
zonder doel bereiken ze een wei
waar ik leun op een hek

een paard doet er gek
het vecht om lucht
tot de wind draait

dan loopt het op me toe
en kussen zijn natte lippen
mijn uitgestrekte hand

De schrijfgroep zal bij de uitgestrekte hand hebben geapplaudisseerd, maar de poëziecriticus zet grote vraagtekens bij het leeg willen zuchten van het hoofd, bij naar buiten lopende voeten die zonder doel een wei bereiken, bij een paard dat om lucht vecht en bij dat al te zoete kussen.

****

Lammert Voos (1962) is al lang uit zijn geboorteplaats Eenrum weg, maar blijkens zijn debuut Klaai blijft hij schatplichtig aan zijn land van herkomst. In het openingsgedicht 'Fersoepn', waarin hij zichzelf in de Groninger klei weerspiegeld ziet, lijkt dat vooral in negatieve zin te zijn: 'mien ferhoal / is 't ferhoal van 't noordn' / 't ferhoal van klaai / 't ferhoal van foaln' // 'n keerln dei fersoept / dei 't ook nait meer wait / [...] // wie koomn'hier nait weg / klaai zoegt en trekt / ons noar beneedn' / tot jeneever ons brekt', maar met een kleine wijziging in de perceptie, misschien wel met net iets meer of minder van de jenever die in de bundel rijkelijk stroomt, klinkt met evenveel overtuiging al snel ook een ander geluid:

MIJN HOOGE LAND

dit land, dit Hooge Land
is weerbarstig, rauw en leeg
en ik hoor hier thuis

hier zijn de botten
van mijn voorvaderen begraven
in de zware zeeklei

hier steekt men trots
de kin tegen de wind in
of verdrinkt men in zeeën van jenever

er bestaan geen tussenwegen
in het Hooge Land
en ik hoor hier thuis

Even rauw en weerbarstig als het land dat hij beschrijft zijn veel van Voos' gedichten, waarin hij meer dan eens een 'proletarisch' geluid laat horen. Het lijkt soms warempel wel alsof hij het sein geeft voor de terugkeer van het sociaal realisme in de poëzie. Dankzij de voortdurend aanwezige ambivalentie (de 'tussenwegen' lopen in hemzelf) blijft het verteerbaar. Tot het beste uit de bundel behoren de zeven gedichten rond het sterven van de vader, jegens wie hij nog altijd zijn definitieve houding moet bepalen. Zijn beschrijving gaat tot 'het bittere eind': 'toen de kaarten waren geschreven / het testament geregeld / en de as was verstrooid / zat er een gat in mij' ('As').
Niet alles in de bundel is even geslaagd. Als Voos te veel dichter wil zijn en 'mooi' wil schrijven gaat het vanwege alle nadrukkelijkheid grondig mis:

ONBEWOGEN

De televisie staart met
achteloze beelden licht
schijnend op mijn onbewogen gezicht.

Met ogen dicht daal ik af
en bij het zwakke flikkeren van
een duister licht aanschouw ik
het trage deinen van mijn ziel.

Voorlopig moet Voos zijn wortels maar blijven exploreren. Dat doet hij goed. Voor wie zich daar verder nog zelf van wil overtuigen: op de site van Voos staan 22 gedichten, waarvan tien uit de bundel.
Nog één ding: was er nu echt niemand bij De Contrabas die Voos kon behoeden voor de spelling begravenissen?

****

Van Harry Zevenbergen, actief als stadsdichter van Den Haag, kregen vijf andere Haagse dichters de opdracht om in hun stad een week te verblijven op een locatie naar eigen keuze en de ervaringen van dat verblijf vast te leggen in een dagboek met foto's en gedichten. Het resultaat daarvan is Met beide voeten in de modder, waarin aan de hand van Jeroen de Vos, Gilles Boeuf, Jet Crielaard, David Muiderman en Anne Tjerk Mante getoond wordt, hoe het er verspreid over het jaar aan toegaat op een vissersboot, bij het Duinwaterbedrijf, in een poppentheater, op de markt voordat die begint en in de Tweede Kamer. Het is een propvol, nogal druk vormgegeven boekje geworden, dat voor de verzamelaars van Haagse parafernalia ongetwijfeld een must is, maar waaraan voor de neutrale buitenstaander die alleen maar uit is op treffende gedichten en verrassende verhalen toch niet zo heel veel is te beleven. Niettemin verdient het project als zodanig zeker waardering, dus hopelijk heeft de Haagse VVV een flink aantal exemplaren ingeslagen.

Kees Godefrooij - Port & Rosé
Spleen, Amsterdam 2008; 56 blz.; 13,00
ID 2653293 www.lulu.com
Liesbeth Ulijn de windhapper
Kontrast, Oosterbeek 2008; 78 blz.; 12,50
ISBN 978-90-78215-41-7
Lammert Voos - Klaai
De Contrabas, Utrecht | Leeuwarden 2008; 48 blz.; 12,50
ISBN 978-90-79432- 03-5
Harry Zevenbergen (red.) - Met beide voeten in de modder
De Brouwerij, Maassluis 2008; 140 blz.; 17,50
ISBN 978-90-78905-24-0


[gepubliceerd: 5 oktober 2008]
 
^