| Meander * Eerder * Schrijvers * Roman Helinski | ||
|
Een gesprek met Roman Helinski
Voor grootsheid, tegen pretentieus gedoe
door Jeroen Dera
'Er zijn dagen waarop ik niet kan slapen, omdat ik nog iets moet schrijven. Dan zit er onrust in mij.' Het schrijven lijkt Roman Helinski (23) in het bloed te zitten. Zijn eerste publicatie versierde het jonge talent als zeventienjarige in het Rotterdamse blad Renaissance. Al snel volgden meer gerenommeerde bladen als Lava, Bunker Hill, Deus ex Machina en De Brakke Hond. Over nummer 80 van dat laatste tijdschrift, met daarin onder meer Helinski's verhaal De traagheid van het bestaan, verscheen in NRC Handelsblad een recensie, waarin de toen amper twintigjarige schrijver de lof van 'jong talent' kreeg toebedeeld. Naar aanleiding van het artikel grepen verschillende uitgevers naar de telefoon, maar vergeefs: De Arbeiderspers had al enige tijd voor het verschijnen van de recensie contact met Helinski en hieruit vloeide na verloop van tijd een contract voor een eerste roman voort. Een roman waarover Helinski nog niet veel wil of kan loslaten. Hij laat alleen optekenen: 'Die roman zal er komen, daar hebben de uitgever en ik alle vertrouwen in'. ![]() Foto: David Peskens
Het schrijven van een roman vindt Helinski een grote uitdaging: 'In het schrijven van een kort verhaal ben ik inmiddels geoefend. Ik kan het tamelijk goed. Onlangs kreeg ik een opdracht van een bedrijf om een verhaal te schrijven en daar maakte ik me geen seconde druk om; ik wist dat het goed zou komen. Uiteindelijk was het bedrijf zeer tevreden. Voor een roman zou ik nu nog geen opdracht aannemen. Dat moet ik leren. De technieken moeten erin worden geslepen. Daar ga ik aan werken, daar werk ik al jaren aan. Ik schreef al meerdere lange verhalen, van rond de zestigduizend woorden. Die liggen in de kast. Ik moet meters maken. Schrijven kan ik, nu moet ik het nog leren richten. Zoals Erben Wennemars in het begin veel te veel energie had, maar nog te weinig ervaring'. Wie deze woorden poëticaal leest, kan de indruk krijgen dat schrijven iets is wat je door hard werken kunt leren. Met dat ambachtelijke beeld van het schrijverschap rekent Helinski echter af. Over literatuur zegt hij immers: 'Goede literatuur is moeilijk te duiden. Ik denk dat een voorwaarde om goede literatuur te schrijven een aangeboren en dus natuurlijk talent is. Een soort grootheid in verhaal en thematiek opnemen, niet omdat je dat wil, maar omdat het - eigenlijk - niet anders kan'. Zo'n grootsheid zie je volgens Helinski sterk terug in Hemingway's The old man and the sea. Wat betreft de Nederlandstalige literatuur heeft het jonge talent meer moeite een representatieve auteur te vinden. 'Ik denk dat Elsschot de enige Nederlandstalige auteur is die zoiets kan. Hermans stelt in een essay, als ik hem goed verwoord, dat je alleen wereldliteratuur kunt schrijven als je het dicht bij jezelf houdt. Je eigen leefomgeving, je eigen ervaringen. Je moet schrijven over je eigen land, zulke ideeën. In dat licht bezien vraag ik me af waarom er in Nederland geen voortreffelijke oorlogsliteratuur is verschenen. We hebben een wereldoorlog gevochten, ja zelfs gewonnen, maar wat is uitgegroeid tot écht geweldige literatuur? Ik denk alleen De Avonden en dat gaat niet eens over de oorlog, maar over de nasleep ervan.' Pretentieus gedoe Niet alleen Reve en Elsschot kan Helinski waarderen: 'Ik hou erg van de stijl van Gabriel García Márquez en heb geprobeerd hem in een paar verhalen te volgen. Maar daar ben ik weer van afgestapt, omdat ik me langzaam en onbewust beweeg naar een eigen stijl. De geboren vertelstem van Japin spreekt me aan. Maar ook de mystiek van Saramago en het talent van enkele Russen. Ook las ik onlangs Steinbeck en Kawabata. Mice and Men vond ik één van de beste verhalen die ik ooit heb gelezen, zo goed geschreven, heel beeldend en toch eenvoudig. Kawabata is een natuurlijke verteller, die net als bijvoorbeeld Coetzee heel doeltreffend schrijft. Ik lees voorlopig eigenlijk vooral grote namen, omdat ik vermoed dat die niet zomaar groot worden genoemd. Ik sta echter open voor onbekendere schrijvers'. Die onbekendere schrijvers moeten dan wel pure verhalen schrijven, want als Helinski iets niet kan waarderen, is het wel 'pretentieus gedoe'. Hij noemt een voorbeeld: 'Mulisch is iemand die veel te graag wil. Dat straalt af op zijn werk. Hij kan overigens wel goed zijn verhaal vertellen. Dat De ontdekking van de hemel tot het beste Nederlandse boek ooit is gekozen, vind ik het bewijs dat we zulke verkiezingen niet moeten houden en dat mensen die met serieuze dingen bezig zijn zich er ook niet mee moeten bemoeien'. Schelp Een veelgehoorde definitie van goede literatuur is de volgende: 'Goede literatuur is die literatuur die zelfs na duizend keer lezen nieuwe interpretaties blijft opleveren'. Helinski ziet wel iets in die stelling, maar relativeert haar wel. 'Het is altijd leuk als iets openstaat voor interpretaties, dan heb je er iets aan. Wat dat 'iets' is? Dat verschilt per persoon. Ikzelf hou er niet zo van om uren te zoeken naar lagen in een verhaal. Voor mij moet een verhaal in eerste instantie zeer goed leesbaar zijn en erg interessant. Dan kom ik vervolgens al lezende achter meer en meer zaken die dubbel te interpreteren zijn, of driedubbel. Dat is mooi. Maar een verhaal moet, in mijn ogen, wel echt een verhaal zijn. De lezer weten te boeien. Ik zeg altijd tegen mensen die iets van mij lezen dat ze het zodra ze het niet meer interessant vinden mogen wegleggen. Dat is mijn schuld, als schrijver'. Dat meerdere interpretaties in Helinski's ogen 'mooi' kunnen zijn aan een verhaal, bracht hem op zijn opleiding soms in conflict met docenten. Voor zijn studie taal en cultuurwetenschap, met als specialisatie literatuurwetenschap, volgde hij enkele vakken bij Nederlands. Daar merkte hij hoe vreselijk hij het vindt dat er volgens docenten maar één betekenis is voor een verhaal. Helinski vertelt: 'Ik las een keer een verhaal van een jongen van wie in regel één werd gezegd dat hij geadopteerd was. In het verhaal kreeg hij contact met een oudere vrouw die een merkwaardige, licht pedofiele relatie met hem onderhield. De vrouw schonk de jongen na verloop van tijd een grote schelp. Volgens mijn docent een symbool voor de vagina van de vrouw, volgens mij een symbool voor de geborgenheid die de jongen bij de vrouw ervoer. Maar deze uitleg, die ik onderbouwde met een verwijzing naar de eerste regel waarin de schrijver meent te moeten opmerken dat de jongen zijn echte ouders niet kent, ging er bij mijn docent niet in. Een schelp stond altijd voor het geslachtsorgaan van de vrouw. Punt uit'. Column Helinski houdt zich niet alleen bezig met het schrijven van literatuur. Ook columns verdienen zijn aandacht, en op zijn tijd een journalistieke bijdrage. Het literaire verhaal krijgt echter de voorkeur boven al het andere. 'Ik hou veel van proza en ook een beetje van sfeerreportages. Columns schrijven is lucratief. Bovendien oefen ik mezelf zo in het scheppen van beelden, dat vind ik fijn. Ook is het een fijn idee dat mensen af en toe om je moeten lachen, of zichzelf in jou herkennen.' Wat betreft de toekomst van de column ziet Helinski het somber in: 'Columns schrijven wordt niet meer zo serieus genomen. Lange Frans, Javier Guzman, Beau van Erven Dorens... Ook de columns van die schopperige Turkse dame uit de Metro [Ebru Umar, JD] zijn rampzalig matig. Ik vind zoiets vreselijk. Deze mensen kunnen niet schrijven, maar toch krijgen ze een column. Dat is niet goed voor het algemene niveau van columns in Nederland en dus verwacht ik dat de interesse langzaam af zal zakken. Kranten moeten snel zijn om te lezen, efficiënt. Daar past een mooie, eventueel literaire, column niet meer in. Bovendien verdien je als columnist zoveel geld, dat kranten je vaak niet eens meer kunnen betalen. Al met al zou ik mijn pijlen niet richten op het schrijven van alleen columns in de toekomst. Die toekomst is te ongewis'. Voor de roman ziet het er wat zonniger uit, hoewel Helinski een trend signaleert waarvoor hij niet warm loopt. 'Boekhandels richten zich vooral op de dertig- of veertigjarige vrouw, bleek uit onderzoek. Dat zie je terug. Ik heb al tijden geen nieuw boek gezien dat ik wil aanschaffen. Het laatste dat ik wilde was Het verzuim van de dood'. Olympische Spelen In welke traditie Helinski te plaatsen is, blijkt voor hem zelf ook een vraag: 'Ik weet niet of ik ergens in pas. Soms kom ik bij mijn studie wel eens wat tegen waarvan ik denk: hé, dat doe ik ook. Ik schreef ooit een confessie, blijkt het een bekend genre te zijn. Ook schreef ik een verhaal dat naadloos in het postmodernisme past – al past alles daar misschien ook wel in. Mijn werk is ongetwijfeld ergens in te plaatsen, maar het is meen ik pas over jaren dat een recent werk te duiden is. Laat ik overigens eerst maar eens mezelf ontwikkelen richting een vaste stijl; Saramago had daar geloof ik tot zijn zestigste voor nodig'. Wat die stijl betreft noemt Helinski zijn verhaal voor Meander 'een goede eerste kennismaking met verhalen van mijn hand'. In de toekomst hoopt hij, eenmaal geheel ontwikkeld, nog meer te kunnen bieden. Plannen heeft hij in ieder geval genoeg: 'Ooit zou ik graag naar het WK-voetbal of de Olympische Spelen gaan voor een blad, om een sfeerreportage te schrijven. Dat kan ik vast heel mooi. Bovendien ga ik met een bevriende fotograaf, als het goed is, binnen een paar jaar een paar reisreportages maken. Ik hoop later te kunnen leven van het literaire schrijven zelf – maar af en toe een reisreportage of leuk artikel zou mooi zijn. In Italië wil ik wonen, minstens twee maanden per jaar. Twee maanden intensief schrijven in de morgen, en in de middag genieten van het leven'. naar het proza van Roman Helinski [gepubliceerd: 24 maart 2007] |
||
| ^   > | deze tekst printen |