Meander * Eerder * Verhalen * Oud in Tasman Bay
 
Oud in Tasman Bay
Daan Kolthoff

Het is zes jaar geleden dat Linda vertrok. Ik heb geen kalender nodig om daaraan herinnerd te worden. Voortjakkerende wolken, witte koppen op de golven; de lucht is net zo grauw als toen. De gasvlam onder de espressokoker ruist in de tocht. Ik moet die tochtstrip in het keukenraam plakken. Dat zei Linda ook al, meer dan zes jaar geleden. Ik luister naar het geluid van de plotseling opspuitende koffie in het apparaatje, gebubbel en geblaas. Het geeft troost, mijn eigen koffie. Als je niet meer van kleine dingen kunt genieten, heeft het echt allemaal geen zin meer. En ik doe m'n best.
Vanachter mijn bureau kijk ik uit over de baai. Het is een van die dagen dat de baai er uitziet zoals een zee er uit hoort te zien; golven, schuimkoppen, vissersboten die op de deining van het water in en uit beeld verdwijnen. M'n schrift ligt nog steeds open en leeg voor me en ik weet dat ik vandaag geen woord op papier zal krijgen. Misschien moet ik het ook opgeven. IJdelheid. Wie heeft er behoefte om de memoires van een eenzame oude man te lezen?

Walther is ook oud. Ik vraag mij af hoeveel hij nog ziet door die melkwitte ogen. Traag sjokt hij achter mij aan, z'n poot oplichtend tegen elk aangespoeld stuk hout, snuffelend aan kwallen en aan de uitgevloeide witte uitwerpselen van de meeuwen op het natte strand. Zijn reukvermogen is in ieder geval nog goed genoeg om de halfvergane aangespoelde vis te vinden. Ik had 'm met m'n stok terug in het water moeten duwen. Hij geniet in ieder geval. Zolang we nog samen over het strand kunnen lopen is er hoop. Boven ons, op de weg, wordt getoeterd. Dat moet Frances zijn, met de post. Jammer, zij zal al weer weg zijn voor ik terug bij het huis ben. Misschien moet ik mijzelf eens een brief sturen, maar meteen erger ik mij over mijn zelfmedelijden. Schaken vanavond. Moet ik dat nou nog doen, of niet? Overdag lukt het me nog wel, maar sinds die fietser vorige week, rijd ik niet graag meer in het donker. Dezelfde oude mannen, altijd dezelfde gemaakte opgewektheid, maar wat hebben we elkaar te bieden behalve een tegenstander in het spel? Walther is al omgekeerd. De rotte vislucht komt me tegemoet terwijl ik op mijn beurt achter hem aansjok.
In de brievenbus alleen het wekelijkse sufferdje en een bericht van Frances. Aangetekende brief, vanmiddag op te halen. Walther krijgt een douche met de tuinslang. Arm dier. Hij staat te rillen onder de straal, het besef weg te kunnen lopen verdwenen. Met een rulle handdoek om hem heen gewikkeld leg ik hem naast de houtkachel. Hoe kort geleden lijkt het dat we hem daar als puppy in een doos hadden liggen? Hij was Linda's keus, maar het werd mijn hond. Ik leg een paar blokken pruimenhout op het smeulende vuur en trek de schommelstoel dichter bij de kachel.

Walther is dood. Die koude douche van vanochtend moet hem de das hebben omgedaan. Zijn deken is doorweekt. De geur van natte hond hangt doordringend in de kamer, maar het is een andere geur dan zijn natte vacht na een lange strandwandeling. Dood. Hoe heeft hij me kunnen verlaten terwijl ik naast hem lag te slapen in m'n stoel? Veertien jaar en zonder dat ik er erg in had is het afgelopen. Ik haal een grote doos uit de bijkeuken en leg het nog warme, natte lijf er in. Het is bijna twaalf uur en pikdonker. Morgenochtend zal ik hem begraven. M'n ogen branden.
Het weer is omgeslagen. Het is windstil en een vaal zonnetje verwarmt het stuk zwarte aarde tussen de rododendrons. De rijp die nog glinstert op het gras is hier al verdwenen. Een verstoorde regenworm wriemelt zichzelf terug in de hoop zwarte aarde. Walther ligt naast mij, in zijn doos, en ik weet niet hoe ik zijn begrafenis vorm moet geven. Gedichten razen door mijn hoofd, maar niets dat ik kan gebruiken als laatste woord voor mijn dode hond. Ik leeg de doos in het graf en vul de kuil weer op.
Koffie. Troost. De zon spiegelt zich in de zee, zo glad, geen zuchtje wind. 'Walther is dood' schrijf ik op, maar verder schieten de woorden mij te kort. Mijn benen prikkelen wanneer ik na twee uur opsta om een boterham te maken. Gezeten, niets gedaan al die tijd, dan staren over zee. Vanmiddag die brief ophalen. Ik wacht tot drie uur, wanneer Frances terug is van haar ronde.

Ik laat de oude Holden uitrijden op de vluchtstrook. Het getoeter houdt niet op, dreunt heen en weer tussen m'n oren. Was hij maar over mij heen gereden. Alles over, voorbij. In plaats van de auto af te zetten, loeit de startmotor door het gebrom van de motor heen, zo erg trillen mijn handen. Achter mij stopt een politieauto, blauwe en rode zwaailichten.
'Bent u in orde meneer?'
Natuurlijk ziet hij mijn betraande gezicht. Ik wijs naar het overlijdensbericht naast me op de bank.
'Ik moest even zitten agent, ik wil geen ongelukken maken.'
Hij knikt begrijpend, zegt dat ik het maar kalm aan moet doen en weg is hij weer. De tweede begrijpende ziel vandaag. Frances bedoelt het goed, wilde die brief niet zo maar voor mij achterlaten, maar de pijn is er niet minder om. Witte bonen in tomatensaus. Zaterdagavondmaaltijd; met toast voor de kinderen en een gevulde omelet voor ons. Nu is één blikje wel genoeg voor mij. Geen Walther om het pannetje uit te likken. Misschien moet ik Linda bellen. Of Mark. Hij zal nog wel slapen, in Engeland.

Twee uur in de nacht en ik kom er maar uit; slapen lukt niet meer. De kachel is uit. Geen Walther wanneer ik het licht in de kamer aan doe. Naar buiten, ik moet naar buiten, lucht om mij heen hebben. Heldere nacht, Orion en het Zuiderkruis stralen me tegemoet. Aan de horizon komt de volle maan uit zee oprijzen. Gewoon doorlopen, het water in, tanden op elkaar. De kou verdwijnt vanzelf en het is allemaal over. Maar ik blijf staan op het strand. Achter de rotsen brandt een vuur en ik hoor stemmen. Vanaf de punt kijk ik op hen neer; een jongen en een meisje, vrijend in hun slaapzak.
De kou voel ik niet meer, zittend op m'n rots. Ik kijk toe en voel een vreemd soort verbondenheid. Wanneer het stil wordt laat ik mij met stijve benen van m'n rots afglijden. Een walvis komt op uit zee, spuit duizend bubbels in de lucht tegen het licht van de volle maan. Hij zwaait zijn vin en ik wuif terug.



[gepubliceerd: 14 januari 2006]
 
^