Meander * Eerder * Verhalen * Een jeugdzonde
 
Een jeugdzonde
Dick van der Plas

De bus stopte vlak voor de ingang van het ziekenhuis. Met een zucht stond Ard van zijn plaats op, stapte uit de bus en begon met tegenzin naar de entree van het grote, onpersoonlijke gebouw te lopen. Zoals ieder normaal mens had Ard een hekel aan ziekenhuizen, maar hij voelde zich nu extra opgelaten doordat hij zich had laten overhalen een bezoek te brengen aan een bewonderaar die op sterven lag. Iemand die hij niet kende en die hij slechts een leugen te bieden had. Maar nu hij eenmaal 'ja' had gezegd zou hij proberen zijn rol zo goed mogelijk te spelen, net zoals vroeger.
Achter de brede, glazen draaideur was een grote ruimte waar zich, behalve de informatiebalie, een groot aantal zitjes, plantenbakken en een koffieautomaat bevonden. Op de achtergrond klonk rustige muziek. Gelukkig was die akelige ziekenhuisgeur hier afwezig. Er was ook een winkeltje, waar je op het laatste moment nog een aardigheidje voor de zieken kon kopen - even twijfelde hij, maar besloot toen dat zijn bezoek op zich al meer dan voldoende was. Men scheen het er gezellig te vinden, want de ruimte was goed gevuld met patiŽnten en hun bezoek.
Op weg naar de informatiebalie werd Ard staande gehouden door een man van middelbare leeftijd aan wie zware tijden af te zien waren, maar waarvan de ogen nu blijde verwachting uitstraalden. 'Meneer Walburg?' Ard knikte en beide mannen gaven elkaar een hand. 'Ik ben Jan Leenheer, u heeft mij aan de telefoon gehad... Ik wil u nogmaals zeggen dat ik erg blij ben dat u uiteindelijk toch gekomen bent. Toen ik het mijn moeder vanochtend vertelde, leefde ze helemaal op. Ze kon haast niet wachten op uw komst.'
'Laten we dan maar snel naar haar toe gaan'. De opgewektheid in Ards stem was al even onoprecht als de reden waarom hij hier was. Hij stelde cynisch vast dat hij in ieder geval wel een voortreffelijk acteur was.
Toen ze ergens op de zoveelste verdieping uit de lift stapten was de misselijkmakende ziekenhuisgeur onmiskenbaar aanwezig. Terwijl Leenheer hem voorging door de gangen, nu en dan een verpleegkundige of een schuifelende zieke groetend, voelde Ard onwillekeurig aan het oude bundeltje in zijn jaszak.

Zo'n twee weken geleden had Leenheer hem voor het eerst gebeld. Hij was begonnen met zich te excuseren voor het feit dat hij als onbekende Ard zomaar opbelde. Vervolgens vertelde hij dat zijn moeder altijd zo had genoten van Ards gedichten...
Op dat moment had Ard de man bruusk onderbroken, met plotseling opgloeiende ergernis. 'Meneer, ik schrijf al ruim twintig jaren geen gedichten meer en dat boekje, waar u het over heeft, beschouw ik als een jeugdzonde!'
Daarna was het aan de andere kant van de lijn even heel stil geweest. Toen er weer wat moed verzameld was, had Leenheer gezegd: 'Maar mijn moeder vond uw gedichten echt heel mooi, het bundeltje lag altijd onder handbereik...'
'Dan kent ze ze nu beter dan ik.'
'Ja, misschien wel... maar waar ik u eigenlijk voor bel, meneer Walburg..,' de stem van de man was zachter geworden en begon enigszins te haperen, 'Mijn moeder is anderhalf jaar geleden ernstig ziek geworden en de dokters verwachten nu dat ze binnenkort zal overlijden...'
'Dat spijt me werkelijk voor u, meneer Leenheer.'
'... en toen ik haar vroeg of ik nog iets speciaals voor haar kon doen, vertelde ze me dat ze het geweldig zou vinden wanneer ze u nog zou kunnen ontmoeten...'
Nu had Ard even niet geweten wat hij moest zeggen.
'...en daarom wilde ik u vragen of u misschien bereid zou zijn om haar te bezoeken en een beetje met haar te praten... om de laatste dagen van mijn moeder wat te verlichten en haar nog iets bijzonders mee te laten maken. Dat zou ze fantastisch zou vinden... Het hoeft maar een kort bezoek te zijn, anders houdt ze het toch niet vol...'
Ards irritatie was nu opgegaan in een wirwar van gevoelens. Hij wist niet wat hij moest zeggen en hij voelde zich gedwongen het gesprek zo snel mogelijk te beŽindigen. Onder het mompelen van excuses en een vage toezegging dat Leenheer hem later in de week nog eens mocht bellen, had hij de hoorn neergelegd.
Na lang weifelen, zuchten en nagelbijten was Ard 's avonds was naar de boekenkast gelopen en had daar voor het eerst in jaren het bewuste bundeltje uitgenomen. Met de zoveelste zware zucht was hij daarna weer op zijn stoel neergeploft.
Begin jaren tachtig was Ard tijdens zijn studiejaren redacteur geweest van een literair tijdschrift, waarin hij, hoewel het hem zelf nooit was gelukt om een behoorlijk gedicht op papier te zetten, ook een cynische column over hedendaagse poŽzie schreef. Op een dag ontving hij een enveloppe met eenentwintig gedichten, handgeschreven op losse multoblaadjes. Er zat geen begeleidend schrijven of zelfs maar een afzender bij. Op het eerste gezicht waren het geen opzienbarende gedichten. Eenvoudige, traditionele poŽzie met alledaagse zaken en emoties als onderwerpen (een brug, een veulen, een sterfgeval). Maar Ard kon ze niet zomaar terzijde leggen. Op de een of andere manier boeiden de gedichten hem, sterker nog: de cynische columnist werd geroerd door de ongekunstelde manier waarop de dichter beschreef hoe hij zich soms ineens bewust werd van de diepere betekenis van de dingen, waardoor hij zich met het harde bestaan kon verzoenen. Het waren misschien wel de beste gedichten die Ard ooit had gelezen.
Ard rekende erop dat de dichter zich na enige tijd wel aan hem bekend zou maken om zijn oordeel te horen, maar toen hij na een half jaar nog niets had gehoord, besloot hij om enkele van de gedichten in het tijdschrift te publiceren onder het pseudoniem Expositus. Kort daarna nam een gerenommeerde uitgever contact met hem op. De man toonde zich zeer enthousiast over de gedichten en wilde graag een bundel van 'die Expositus' uitgeven. Ard vertelde hem naar waarheid hoe hij aan de gedichten was gekomen, waarop de uitgever in lachen uitbarstte en zei dat je romantiek ook te ver door kunt voeren. Hij zou binnenkort nog wel eens bellen.
Tijdens de volgende redactievergadering bracht Ard het probleem ter sprake. De andere redactieleden vonden dat Ard er niet al te moeilijk over moest doen: uitgeven die hap! Dan had de dichter zich maar bekend moeten maken of zijn gedichten niet op moeten sturen. Bovendien was het goed voor het tijdschrift wanneer er weer eens een bundel van een van hun ontdekkingen verscheen. Ard werd de vrije hand gegeven om een en ander met de uitgever af te handelen.
De rest is bekend. De eerste druk van Schijnwerpers en zoeklichten, groot driehonderd exemplaren, was binnen een week uitverkocht. Recensies vol superlatieven en alle denkbare onderscheidingen volgden. In de daarop volgende jaren gingen er meer dan twintigduizend exemplaren over de toonbank totdat de verkoop in de negentiger jaren eindelijk stokte.
Hoewel Ard aanvankelijk ontkende dat hij achter het pseudoniem Expositus schuilging, werd hij vanaf het begin gezien als de maker van de gedichten. Hij, de 'ontdekker', was immers degene die altijd namens de dichter sprak en de royalty's en de prijzen incasseerde. Het eerste jaar verwachtte Ard nog iedere dag dat de werkelijke dichter zich bekend zou maken. Het enorme succes van zijn gedichten kon hem niet ontgaan zijn. Bovendien stond er, na aftrek van kosten, een aardig bedrag op de speciale rekening die Ard had geopend. Maar toen hij zich na een paar jaar nog steeds niet had gemeld, ging Ard er vanuit dat het altijd wel een raadsel zou blijven wie hij was. Misschien was hij inmiddels gestorven en had hij zijn geheim meegenomen in zijn graf. Deels om van het gezeur af te zijn, deels uit ijdelheid ontkende Ard Walburg na verloop van tijd niet langer dat hij Expositus was.
Onmiddellijk kreeg hij last van een koppig schuldgevoel, dat hij tevergeefs probeerde te onderdrukken door tijdens een interview de waarde van de gedichten te bagatelliseren. De waardering ervoor had hij altijd sterk overdreven gevonden, zei hij. Op de vraag wanneer er nieuw werk van hem te verwachten viel, antwoordde Ard dat hij geen inspiratie meer had, er waren wel belangrijkere dingen dan poŽzie. Toen ruim tien jaar geleden de bundel in vergetelheid geraakte, begroette hij dit met opluchting. Het geld werd aan goede doelen geschonken.
De laatste jaren had Ard nauwelijks meer aan de geschiedenis gedacht totdat het telefoontje van Jan Leenheer alles weer oprakelde. Met gemengde gevoelens bladerde hij door het boekwerkje. Herfst - Angst - Het Veulen - De Brug - Verdriet. Ondanks alles toch prachtige gedichten... die veel voor een oude, stervende vrouw hadden betekend.
Een paar dagen later belde Jan Leenheer opnieuw en Ard stemde toe.

Terwijl de mannen voortliepen door de ziekenhuisgangen vroeg Ard: 'Hoe gaat het nu met uw moeder?'
'Slecht. Het kan nu iedere dag gebeurd zijn.' Leenheer vertraagde zijn pas en vervolgde: 'Mijn moeder is 83 en heeft een zwaar leven gehad... Mijn vader liet haar kort voor mijn geboorte in de steek. Daardoor en nog een aantal andere tegenslagen heeft ze ook veel psychische problemen gekend. Ze heeft gekke dingen gedaan en is verschillende keren opgenomen geweest. Ze vond zichzelf minderwaardig en beschouwde haar leven als nutteloos... Het enige wat haar een beetje vreugde kon bezorgen was poŽzie, maar pas toen ze uw gedichten had gelezen verbeterde haar situatie. Het leek wel alsof ze sindsdien eindelijk vrede met haar bestaan had.'
Jan Leenheer keek Ard nu recht aan. 'Ondanks alle problemen is ze toch altijd een goede, liefhebbende moeder voor mij geweest en daar ben ik haar dankbaar voor. Ik ben dan ook heel blij dat ik dit nog voor haar kan doen.'
Ard knikte zwijgend. Beschaamd bedacht hij dat hij de waarde van de gedichten ooit publiekelijk in twijfel had getrokken. Toen vroeg hij: 'Heeft u misschien een pen voor mij?' Jan Leenheer voelde even verbaasd in zijn zakken en gaf hem een ballpoint. Ard haalde de gedichtenbundel te voorschijn en schreef er iets in.
Even later gingen ze de kamer van mevrouw Leenheer binnen.
Mevrouw Leenheer zag eruit zoals alle oude vrouwen die op sterven na dood zijn. Ze was in haar kussens overeind gehesen zodat er nog van enig decorum sprake was. Toen ze Ard zag begon ze te stralen.
'Dag, mevrouw Leenheer, hoe gaat het met u?' Haar handje voelde zo broos, dat Ard het nauwelijks durfde te schudden.
'Naar omstandigheden goed,' verstond hij.
Ard ging naast haar bed zitten, haar zoon schonk een kopje koffie in - dat nog veel te heet was om te drinken.
Nadat Ard het felgekleurde bloemstuk naast haar bed had bewonderd, sprak hij: 'Ik heb van uw zoon Jan begrepen dat u mijn gedichten heel mooi vindt...,' mevrouw Leenheer keek hem nog steeds stralend aan, '... en daarom heb ik een exemplaar meegenomen waarin ik speciaal voor u een opdracht heb geschreven.'
Ze nam het bundeltje aan en sloeg het op goed geluk open. Haar zoon schoot haar te hulp en las: 'Voor mevrouw Leenheer, die deze gedichten zin heeft gegeven.'
De oude vrouw knikte dankbaar en wenkte Ard om dichterbij te komen, en nog wat dichterbij. Zijn gezicht was nu vlak bij haar kleurloze lippen. 'Dank u wel, meneer Walburg, ik heb alle drukken... maar met dit exemplaar ben ik het meest gelukkig.'
Ard knikte verbaasd: alle drukken?
Ze richtte zich iets op.' Ik heb geen gemakkelijk leven gehad,' ging ze nauwelijks hoorbaar verder, 'en ik was jarenlang heel ongelukkig... maar toen deze gedichten werden uitgebracht... putte ik daar zůveel troost en kracht uit...' Ze zakte terug in de kussens.
'Dank u, mevrouw Leenheer, dat beschouw ik als een groot compliment.'
Daarna werden er geen woorden meer gewisseld. De koffie was nog steeds te heet om te drinken. Toen de stilte ongemakkelijk begon te worden, stond de zoon op en gaf aan dat het bezoek lang genoeg had geduurd: zijn moeder moest rusten en meneer Walburg had natuurlijk nog wel meer te doen. Mevrouw Leenheer leek inderdaad in slaap te zijn gevallen.
Op de gang bedankte Jan Leenheer Ard nog eens heel nadrukkelijk voor zijn bezoek. 'Ik ben heel blij dat mijn moeder dit nog heeft mogen meemaken.' Ard glimlachte en wenste Jan Leenheer veel sterkte toe de komende tijd. Ze namen afscheid, Ard kon zelf de uitgang wel vinden. Het bezoek had nog geen tien minuten geduurd.
Bij de bushalte wist Ard dat het allemaal toch ergens goed voor was geweest. Het leek of er een gewicht van zijn schouders was genomen.

Ruim een week later lagen er twee enveloppen bij de post. De ene bevatte een rouwkaart waaruit bleek dat mevrouw Leenheer twee dagen na Ards bezoek was overleden, de andere een kort briefje dat mevrouw Leenheer waarschijnlijk met haar laatste krachten had geschreven. Met een schok herkende hij het handschrift.

Zeer geachte heer Walburg,
Tijdens uw bezoek had ik helaas niet meer de kracht om fatsoenlijk afscheid van u te nemen en u te bedanken voor uw komst. Hierbij wil ik u daarvoor alsnog heel hartelijk danken. Maar bovenal wil ik u nog heel erg bedanken omdat u er ruim twintig jaren geleden voor heeft gezorgd dat mijn gedichten werden uitgegeven. Destijds was het beter dat mijn naam niet bekend werd gemaakt en later vond ik het niet meer nodig. U schreef dat ik de gedichten zin heb gegeven, maar het is juist andersom: de gedichten hebben mij zin gegeven. Ze bewezen dat ik iets waardevols en moois kon bieden en dat heeft me sindsdien op de been gehouden.
Met de meeste hoogachting,
Inge Leenheer




[gepubliceerd: 2 februari 2006]
 
^