Meander * Eerder * Verhalen * 299 regendruppels
 
299 regendruppels
Ann Vanheule

299 regendruppels, waarvan 99 op het raam en de rest op mijn kleren. Ik ga voor de perfecte imitatie van een verzopen dwergpoedel, van wilde krullen tot negertjeskroes. Deze dag kan niet meer stuk op de schaal van Murphy. Opstaan op zich is al een afdoende reden om een dag slecht te laten beginnen.
Het is dinsdag. Nooit mijn beste dag geweest: maandagen zijn de wekelijkse rillingen na het weekend. Woensdagen hebben nog een zweem van luchtigheid van een schoolverleden waar ze maar half waren. Donderdag ruikt al aan de tenen van vrijdag, die al met zijn kruin in het weekend zit.
Dinsdag doet niets. Baalt iets minder, maar snuffelt nergens aan.
Hij zit op de rand van de bank en over die van zijn bril te staren naar mijn onverpakte en totaal aan het weer onaangepaste knieschijven. Naar de helft van de 200 druppels die nu naar beneden glijden waardoor het lijkt alsof ik mijn incontinentieluier vergeten ben. Hij ruikt vast lekker. Hij. Niet de incontinentieluier. Zwart. Héél mooi zwart. Stoppelbaard. Héél mooi stoppelbaardje. Maar is met het gangpad ongenaakbaar onbereikbaar.
Dinsdag snuffelt écht nergens aan, en ik zou hem zo graag van dichtbij ruiken.

299 sneeuwvlokken, waarvan 99 in mijn neusgaten zijn gekropen en de rest als termieten door mijn winterjas die ik niet met superhoudtallestegenspul heb ingesmeerd. Als ik nu snotter, sneeuwt het! Voorwaar, ik kan het weer voorspellen, weervrouw, rep je boezem weg van de Azoren, het is mijn beurt.
Ondertussen zit hij er nog steeds, al lijkt het dat hij grijs geworden is, maar dat is enkel te wijten aan de kerstroos van sneeuwpret op zijn haar.
Een seizoen verder en 32 heimelijke blikken, 10 beantwoorde lachen, en 1 gulle lach, omdat ik de volledige inhoud van mijn handtas op de grond kieperde. Waarbij het kind van 3 aan de overzijde triomfantelijk met mijn tampon in strikjesverpakking wuifde en ‘snoep snoep’ riep. Ja, kind, probeer dáár maar eens op te kauwen.
Vorige week kwam ik hem tegen in de supermarkt, tussen het brood en de kaas, en ik vergat spontaan de hieraan verbonden geur van zweetvoeten en onderhemdjes waarmee sommige mensen langer dan twee nachten slapen. Hij kocht weloverwogen Frans brood en Italiaanse kaas. En een Chileens wereldwijntje.
Omdat wij samen horen, al weet hij het nog niet, koop ik ook brood en kaas. Omdat ik ook wat te zeggen wil hebben, is de toegift beperkt tot Italiaans brood, Franse kaas en een Australische rooie.

299 tjilpende vogels, waarvan 99 te dicht bij mijn oren en de rest in het bos achter mijn flat. Een nieuwe lente, hetzelfde geluid.
Hij staat me op het perron op te wachten, met een bosje hangende tulpen van Babylon in de hand. Ze zijn niet voor mij, maar voor zijn zieke zuster die hij bezoeken zal. Hij ziet me kijken, en vraagt of ik ook van bloemen hou. ‘Behoudens pisblommen zet ik alles in een vaas en als je mijn benen in winterse laarzen ziet dan heb je ook al een impressie van een eenzame bloem in vaas.’ Hij kijkt naar beneden maar mijn fladderende broek ontneemt hem het zicht.
Hij praat voluit en vol-luid, over zijn dochter van vijf en de weekend- uitstap naar Plopsaland, waar hij een leuke zaterdag had, tussen de draaiende theekopjes en de hamburgers en de spuitende fonteinen. En hoewel ik zelf niet zo voor die plopsadinges ben, versta ik zijn enthousiasme. Blije kinderblikken openen ouderharten en hun portemonnee! We spreken af om na het werk iets te gaan drinken op een terrasje in de stad.
Hou van mei!

299 zonnestralen, waarvan 99 in zijn ogen. Ik loop dan ook met een zonnebril door de stad. Hij loopt naast mij en houdt me luchtig vast. Zijn haar is zwart en zacht, en zijn stoppels hard. Toen ik er deze ochtend even met mijn vingers doorging en deze verdwenen in de warrige donkere massa waande ik me een negerin.
Ze roept, en giechelt en vindt snoep in mijn handtas. Mijn blik gaat verschrikt opzij naar de triomfantelijke immerplopsavrolijke handjes van zijn 5-jarige die een rode lolly in de lucht steekt.
Het is duiveltjeskermis, en de eerste regendruppels zoeken door de zon hun weg naar beneden. Hij lacht. Het herinnert hem aan die keer dat ik als een druipende kaars op de trein zat, zegt hij, en hij stiekem naar me keek en dacht, ze is mooi. 299 regendruppels waarvan 99 op het raam en de rest op haar kleren.


[gepubliceerd: 23 maart 2006]
 
^