Meander * Eerder * Verhalen * Teennagels
 
Teennagels
John Toxopeus

Hij maakte damesschoenen en rookte lange, dunne sigaren. Hij was een kenner. Ik ontmoette hem toen ik in Amsterdam mijn wekelijkse portie pijptabak kocht en hij uiterst exclusieve sigaren, verpakt in een smal kistje van Spaans cederhout. We raakten aan de praat, de Duitser en ik. Terwijl ik hem de stad liet zien, vertelden wij elkaar geheimen die je alleen deelt met vreemden.

We spraken geen woord onderweg. Ik keek naar buiten, naar de grauwe Duitse gebouwen die wij passeerden. Het begon te sneeuwen en de paarden minderden vaart.
De gele lichten, zojuist ontstoken door een van de lantaarnopstekers van de kleine stad, gleden over zijn gezicht, half verscholen onder de brede rand van zijn hoed. Een slappe hoed, strak getrokken over zijn langwerpige hoofd. Af en toe lichtten zijn blauwe ogen op, keken mij even aan en dwaalden weer naar buiten, waar de sneeuw zich langzaam als een deken over de straten uitspreidde. Hij droeg een lange, zwarte mantel, aan de bovenkant wijd open, evenals het witte overhemd, zodat zwart, krullend borsthaar zichtbaar was. Ik huiverde en kroop dieper in mijn zware duffelse jas en snoof aan de bontkraag die ik, zoals altijd voordat ik uitga, met enkele druppels sterk ruikend haarwater had besprenkeld.
De paarden gingen inmiddels stapvoets. De aansporingen van de koetsier beperkten zich tot nu en dan schor keelgeluid. De snelheid van mijn hartslag nam toe.
Op de hoek van de Reinhard Gieffelstrasse en de Reiterstrasse stopten we. De Duitser schoof naar de deur aan de straatzijde, opende die met zijn linkerhand en legde even, met een nauwelijks zichtbare glimlach, zijn rechterhand op mijn bovenbeen. Met voorzichtige bewegingen stapte hij uit. Terwijl ik zijn lange, rechte gestalte nakeek, opende aan de andere kant een jonge vrouw de deur van de koets en hees zich naar binnen. Ik stak een hand uit om haar behulpzaam te zijn. Ze leek het niet te zien. Onder een gehaakt mutsje van bruin katoen, versierd met kleine gele rozetten, vertoonden zich, als een krans, rode krullen. Een van de gele bloemetjes hing aan een rode draad tegen haar rechteroor en zou later achterblijven in de vuile, smeltende sneeuw. Ik keek in een paar verschrikte ogen, die van links naar rechts schoten. Haar blik bleef hangen in de richting waar de man zojuist was verdwenen.
Ze ging schuin tegenover mij zitten. Ze droeg een vale, korte jas van schapenbont en een lange donkere rok die aan de onderkant doorweekt was. Ik keek naar haar schoentjes, naar haar kleine voeten en tenen, waarvan de vormen door het natte leer zichtbaar waren.
'Ik moet met u praten.'
Ik trok mijn wenkbrauwen op.
'Over Karl.' Ze boog zich voorover en ik zag nu hoe bleek haar gezicht was.
'Karl? Wie is Karl?' vroeg ik.
'Het geeft niks. Het kan me niet schelen dat u zo bent. Ik wil alleen maar zekerheid. De waarheid horen.' Ze boog zich verder voorover. Er viel smeltende sneeuw van haar schapenvacht, waar een lucht vanaf kwam die mij deed denken aan het huis van mijn oudste broer, zijn slonzige vrouw en hun nog steeds bedwaterende zoontje.
'Ik denk echt dat u zich vergist, lieve dame. Ik ken u niet. Hoe zou u weten wie of wat ik ben?' Ik legde mijn hand op de bank. 'Kom naast mij zitten, dat praat makkelijker. Misschien dat ik een misverstand uit de weg kan ruimen.'
Ze ging aarzelend in op mijn voorstel.
'De man die zojuist uitstapte is mijn geliefde, Karl. Hij wil mij verlaten, vertelde hij mij gisteren.' Ze zocht in een linnen schoudertas en diepte een kleine zakdoek op. Ze snoot haar neus, met piepgeluidjes. 'Ik voel me meer aangetrokken tot de herenliefde, zei hij.' Ze keek schuin opzij en wachtte even. Toen ik niet reageerde, vervolgde ze: 'Ik zei dat ik dat niet geloofde. Want zo is Karl niet. Zoals Karl heb ik ze nog nooit meegemaakt, mijnheer.'
'Hoezo?' vroeg ik. Ik verborg mijn gezicht in mijn bontkraag, zodat mijn glimlach niet zichtbaar was.
'Ach, mijnheer, hoe zal ik het zeggen. Tegen mijn zuster zeg ik altijd: 'Het is een beest, een onverzadigbaar beest'. Snapt u wat ik bedoel?'
'Zo'n beetje', zei ik. 'Maar wat heeft dat met mij te maken?'
'Ik geloofde niet wat hij mij vertelde over zijn liefde voor mannen. En toen vertelde hij mij dat ik u aan zou treffen in de koets waar hij uit zou stappen daar op de hoek en dat ik er dan zelf wel achter zou komen.' Ze verplaatste het verfrommelde zakdoekje van haar ene naar haar andere hand. 'Ik kan niet zonder hem, mijnheer.'
Ik keek naar haar schoenen en probeerde mij een voorstelling te maken van haar voetjes, haar tenen, hoe ze zouden voelen, ruiken. Ik legde mijn hand op haar onderarm. 'Weet u wat ik denk? Ik denk dat die Karl, die ik helemaal niet ken, op een lafhartige manier van u af probeert te komen.'
Ze keek me aan met grote verbaasde ogen, maar zei niks.
Ik ging iets dichter tegen haar aan zitten. 'Ik had een kort gesprek met hem. Even maar. Een paar beleefdheidszinnen. U kent dat wel. Ik vertelde hem dat ik hier ben voor inspectie van een van mijn handelskantoren. Hij vertelde dat hij ook op inspectie was. Lang en blond, zo'n soort grapje maakte hij. Daar hebben we hartelijk om gelachen. Meer niet.'
Ze drukte het zakdoekje tegen haar ogen en ik voelde haar schouder schokken tegen mijn arm.
'Kom mee', zei ik. 'U ziet er moe uit. U moet iets eten en drinken.' Met mijn wandelstok gaf ik twee flinke tikken tegen de bovenkant van het rijtuig, daar waar zich het zitvlak van de koetsier moest bevinden. De koets stopte onmiddellijk.

In het café was het warm. Het rook er naar natte kleren en dorstige mensen. Ik zocht een tafeltje in een hoek met weinig licht. Ik bestelde glühwein, bier, Saumagen die hier van uitzonderlijke kwaliteit, is en bloedworst. Ze nam gretig van de bloedworst en de wijn die ik haar regelmatig bijschonk. Ze vertelde over haar zuster die bij een tandarts werkte. Een eigenaardige kerel die steeds moest kotsen als hij weer een tijdje boven zo'n stinkend gat met rotte kiezen had gehangen en het baantje dat ze daar had als schoonmaakster. En hoe ze Karl daar had ontmoet en hoe ze meteen verliefd waren geworden. ‘Ik maak de mooiste schoentjes, voor de liefste voetjes die ik ooit heb gezien’, zei hij de eerste avond. ‘Dat is zijn werk, weet u. Dat-ie dat zei, vond ik toen zo prachtig’, voegde ze er nauwelijks hoorbaar aan toe.
'Je moet blij zijn dat je van hem af bent', zei ik. 'Het is eigenlijk een lafaard, die je niet in je gezicht durft te zeggen dat hij een ander heeft en je opscheept met een toevallige voorbijganger.'
Ze knikte, probeerde rechtop te gaan zitten, maar gleed weer tegen mij aan.
'Je bent moe', zei ik en pakte haar hand die ze niet terugtrok. 'Van alle emoties.'
Ze zocht mijn ogen. 'U bent zo goed voor me. Wilt u mij naar huis brengen?'
'Ik weet wat beters', zei ik en had slechts een handbeweging nodig om de eigenaar van de zaak mijn wensen kenbaar te maken.
Ik hielp haar naar boven, langs de houten wenteltrap, en moest haar met een arm ondersteunen toen ik de deur opende van de kamer waarvan ik wist dat het bed niet kraakte. Ze rook naar wijn en zuur, warm zweet.

Ze verzette zich niet toen ik haar op bed legde en ook niet toen ik haar schoentjes uittrok en daarna haar dunne kousen die met elastische bandjes aan haar broekje waren vastgeknoopt.
Het leek alsof ze al sliep toen ik uit mijn valies mijn toiletetui pakte en een scherpe nagelschaar onder het elastiek vandaan wipte. Nu kon ik haar voeten goed bekijken. Ik nam ze in mijn handen. Terwijl ik de nagels van haar tenen knipte, werd mijn opwinding steeds groter. Ze liet toe dat ik haar voeten tegen mijn gezicht drukte, tegen mijn neus, mijn mond, dat ik op haar tenen zoog, haar benen streelde. Ik verwende haar met mijn tong en mijzelf met haar tenen en zachte voetzolen.
De volgende ochtend zocht ik de negen nagels - aan de kleine teen van haar linkervoet ontbrak een nagel - bij elkaar en borg ze op in de pochet die ik weer in mijn borstzak stak. Om haar niet wakker te maken streelde ik alleen haar voetjes die nog plakkerig waren van mijn lust van de vorige avond. Ze glimlachte.

In het hotel waar ik logeerde, gebruikte ik het ontbijt, pakte mijn koffer en verliet om precies tien uur mijn kamer. In de hal wachtte de Duitser. Hij rookte een lange dunne sigaar. Voor hem op tafel stond een glas cognac. Ik opende mijn koffer en zette een brede kist van Spaans cederhout naast het glas. Hij bedankte met een korte hoofdknik.


[gepubliceerd: 10 januari 2007]
 
^