Meander * Eerder * Verhalen * Een brug in de woestijn
 
Een brug in de woestijn
Wilma van den Akker

De woestijn is niet leeg. Het beeld van de woestijn als een eindeloze zandvlakte is even onvolledig als dat van een polder die alleen uit gras bestaat. Dat wist ik. En toch zocht ik de stilte en de leegte van de woestijn. Ruimte om me heen, rust en stilte aan mijn hoofd. Ik zat met gekruiste benen in een reepje schaduw langs een rotswand en keek uit over heuvels van fijn wit zand en bergen met openingen erin, waaraan dit gebied zijn naam Gatenkaas te danken heeft.
Ik was niet alleen in de woestijn. De groep bestond uit tien kamelen, vijf bedoeïenen en zeven westerse vrouwen. Wanneer ik wakker werd, waren de bedoeïenen doorgaans al bezig met vuur maken en deeg voor het brood kneden. De vrouwen praatten, rolden slaapzakken op en maakten foto's. Daardoor werd ik onrustig, net zo gejaagd als thuis. Moest ik ook niet iets doen? Om die reden had ik de plek bij de rotswand opgezocht. Ik deed mijn behoeften in het zand, groef die onder en verbrandde het toiletpapier. In enkele seconden verschrompelde het tot zwarte as. Ik poetste mijn tanden met een half bekertje water. Wassen was nauwelijks nodig, want in de woestijn word je niet vies.
De stilte was bijna volmaakt. Ik sloot mijn ogen en liet mijn gedachten voorbijtrekken. Een vlieg vloog langs mijn oor. Even later het geluid van een auto. Een landrover doemde op. De bestuurder zwaaide druk naar me en riep: 'Halloooo!' Ik zwaaide terug. Toen stond ik langzaam op, deed wat rekoefeningen en liep terug naar het kamp.
Kameel rijden. Vele waarschuwingen had ik gekregen: ik zou mijn achterwerk kapot schuren, van het beest afvallen, zeeziek worden; het beest zou stinken en agressief zijn… Het bleek allemaal onzin. Ik zocht een kameel uit die goed reageerde op aaien, klom erop en voor ik het wist, reed ik als een koningin. Kameel Een reageerde keurig op ieder rukje van het touw naar links of rechts. Om te stoppen moest ik harder aan het touw trekken. Ik leerde hoe ik hem door de knieën kon laten zakken en hoe ik hem kon aansporen. Voor dat laatste zijn veel methodes. Eén kreet houdt het midden tussen de naam Harry en het Engelse hurry. Dat is makkelijk te onthouden: wie wil dat de kameel opschiet, roept: 'Hurry!'. 'Daaaarb' is ook een aansporing en verder klakken met de tong, porren met de hiel in de flank van het beest en slaan met het touw.
De jongen die achter me liep maakte vaak een zacht slurpend geluid en dan zette Een de vaart erin. Behalve een gehoorzaam beest, was hij ook een haantje de voorste. Met korte rukjes ging zijn kop steeds vooruit en verzette hij één voor één zijn vier poten. Bij het afdalen voelde ik me hoog boven de aarde verheven. Bij moeilijk terrein moest ik afstappen en lopen. De kameel zocht dan voorzichtig zijn eigen weg. Ik had de neiging om vooruit te lopen en hem aan te sporen. Dat moest ik afleren. Een van de mannen vertelde dat de kameel daardoor juist angstig zou kunnen worden en struikelen. Het dier had mijn leiding niet nodig.

*

Na een paar dagen rijden, lopen, bij het kampvuur eten en thee drinken en onder de sterrenhemel slapen verdween mijn gejaagdheid. Ik was er helemaal en zat zingend op mijn kameel. Ik maakte een eenvoudig liedje in de cadans van het rijden:
ik ben geen kameel
ik heb maar één bult
ik ben geen kameel
ik loop met geduld
ik ben geen kameel
mijn zakken gevuld
De jongen spoorde mij aan om Een af en toe met het touw te slaan. 'Het doet geen pijn,' zei ik tegen mezelf, 'het is alleen om hem te vertellen wat hij moet doen.' Soms reed ik alleen, voor- of achteraan de groep, soms in het midden en soms reed ik met de jongen samen. De jongen en ik wisselden weinig woorden. Wij maakten elkaar verlegen en er was geen gemeenschappelijke taal. Een woord in zijn taal dat ik leerde was 'mahazouza', de vrouwelijke vorm van 'gelukkig'. Af en toe riep ik dat woord de woestijn in. 'Mahazouza!' Hij stootte een indianenkreet uit. 'Crazy boy,' zei ik. Hij wierp een verlekkerde blik op mijn bruine benen, die ik half ontbloot had.
De mannen zongen een oud lied bij het kampvuur. Een van hen trommelde daarbij op een jerrycan. Ik sloeg met een lepel een gestaag ritme op mijn etensbakje, anderen klapten in hun handen. Rondom blije gezichten. Donkere ogen brandden onder roodwitte woestijndoek. Ik voelde een nieuwe onrust ontstaan, zocht steeds vaker die ogen op. Meer was niet mogelijk, want we leefden in totaal gescheiden werelden: van nomaden en reizigers, van mannen en vrouwen en van verschillende generaties. Er werden grappen en verhalen verteld. De jongen zei in zijn eigen taal dat ik een vrouw was en geen babykameel, Ahuar. Ik begreep hem niet. Ik dacht dat ik het woord verkeerd uitsprak en deed vele pogingen om Ahuar met de juiste keelklank uit te spreken. Na vertaling begreep ik de mededeling nog niet. We moesten erg lachen. Hij dook weg onder zijn hoofddoek. Ik deed hem na en hij kwam nu helemaal niet meer bij.
Ik deed als de nomaden: sneed de bovenkant van een plastic fles, vulde die gedeeltelijk met zand en stak er een kaars in. Deze lantaarn nam ik mee naar mijn slaapplek. Die nacht staarde ik lang naar de kaars en de sterren. Bij het stervende kampvuur zag ik in de cirkel van zadels de mannen hun slaapplekken klaarmaken. De glimlachende maan was al achter de bergen verdwenen. De kamelen lagen op hun knieën te slapen of te kauwen.

*

De laatste rit liep naar zee. Het waaide erg. Wapperende kleding en hoofddoeken. Ik wilde me in het zoute water laten drijven, maar de wind en de stroom waren te sterk. Het bleef bij een korte onderdompeling. De wind blies me droog en ik verzamelde schelpen. De mannen kochten een grote vis en maakten een laatste maaltijd klaar. Na de vismaaltijd was het tijd voor de toespraak en fooien. De ogen van de mannen glommen.
Daarna werd alles ingepakt, de kamelen werden opgezadeld en er volgde nog een rit over een kustpad. Op een gegeven moment werd het pad te moeilijk om te rijden. Iedereen stapte af en de kamelen liepen alleen verder. Na enige tijd verdwenen de mannen en de kamelen in de verte. Ik zag Een niet meer terug.
Er vond nog een afscheidsmaal plaats bij familie van de mannen. Bedoeïenenvrouwen kookten, de mannen keken televisie. Wij westerse vrouwen zaten apart in onze eigen cirkel. De mannen gaven ons geen hand. Nog een keer kruiste mijn blik die van de jongen. 'Hoe gaat het met Een?' vroeg ik hem. 'Goed,' was zijn antwoord. Even later was hij vertrokken. Ik stond op en staarde over een muurtje tot het tijd was om weg te gaan. Een leeg gevoel maakte zich van mij meester.


[gepubliceerd: 5 mei 2007]
 
^