Meander * Eerder * Verhalen * Baboesjka
 

Baboesjka
Dominique Biebau

Vroeger perste ik elke ochtend sinaasappelsap voor je, want ik dacht dat dat zo hoorde. Tot je me vertelde dat de geur alleen al je deed kokhalzen. Toen begon ik verhalen voor je te schrijven. Die vond je wel goed. Behalve vandaag. Je houdt mijn laatste verhaal vast en je leest. De zon gutst over de lakens. Je wenkbrauwen zijn net twee harige komma's. Ze verroeren zich niet. Je kijkt kritisch en je bent mooi. Je bent vooral mooi, beslis ik.

***

Ergens rinkelt een telefoon. Een bleke, magere man met wijze, grote, blauwe ogen neemt op. Hij luistert en zijn handen vallen in zijn schoot. Zijn vrouw. Een banaal ongeluk. Hij wiegt zijn lichaam zachtjes heen en weer.

Soms opent hij een kast. Net alsof daar ergens, in de bestofte duisternis, een antwoord op hem ligt te wachten. De afwas, een chaotische troep, slibt aan en de rolluiken blijven neer. Hij zit thuis.

Toen hij nog jong was geweest had hij vaak met het idee 'zelfmoord' gespeeld. 'Zelfdoding' noemen ze het tegenwoordig, alsof het om een medische ingreep gaat. En hoe hij het ging doen. Meestal deed hij het op kleinkunstmuziek, ergens in de natuur waar alles vredig en goed was het domein Puyenbroek of de Blaarmeersen in de buurt van Gent. Nóóit binnen. Hij had zijn hele leven al tussen zes wanden geleefd.

De Luger weegt zwaar en degelijk. Levenslange garantie. Deutsche grundlichkeit. Hij had, meer omdat hij zich had afgevraagd of het allemaal wel werkte zoals op TV, de veiligheidspal afgezet. Je zet hem in je oorschelp en je trekt. De loop voelt koud aan. Koud, maar niet zo koud als zijn hart.

***

Je kijkt op. Je linkerhand draait krullen in je haar. Dat doe je altijd als je je ergens aan ergert. Je uitdrukking voorspelt weinig goeds.

- 'Ik begrijp niet waar die Luger plots vandaan komt,' zeg je.
- 'Zijn grootvader was bij het verzet,' antwoord ik. 'Hij heeft hem gepikt van een dode Duitser.'
- 'Waarom staat dat dan nergens?' Je stem klinkt beschuldigend.
Mijn hand zoekt het stapeltje papier op het nachtkastje.
- 'Kijk. Hier. Pagina 25. Zijn grootvader was vroeger nog bij het verzet geweest. Samen met vier anderen had hij een transport tegengehouden. Behalve een medaille had deze heldendaad hem ook een Luger opgeleverd. Gepikt van een dode Duitser.'
- 'Moeten daar geen puntjes op, op de u van grundlichkeit?'
- 'Baboesjka!' Een troetelnaam van toen we elkaar nog maar net kenden.
- 'Ik heet Barbara,' zeg je. Steenkoud.
- 'En het einde,' ga je verder, 'Veel te melodramatisch. Koud, maar niet zo koud als zijn hart.'
Je leest de laatste regel met overdreven intonatie voor. Ik haat het als je zo doet.
- 'Geef maar terug.' Ik gris het blad uit je handen. Ik verzamel wat meer lakens rond mijn benen. Het kan me niet schelen als je het koud hebt.

Stilte. En dan jij weer.

- 'Zou jij het doen?' Je stem klinkt verzoenend.
- 'Wat?'
- 'Zelfmoord plegen. Als ik ...' Een aarzeling. 'Als ik weg ben.'
- 'Misschien,' geef ik schoorvoetend toe. Ik ben nog steeds kwaad.
- 'Niet doen,' zeg je.
- 'Ik zal het einde herschrijven,' beloof ik, ook al weet ik niet waarom.

***

Ergens rinkelt een telefoon. Een bleke, magere man met wijze, grote, blauwe ogen neemt op. Hij luistert en zijn handen vallen in zijn schoot. Zijn vrouw. Een banaal ongeval. Hij wiegt zijn lichaam zachtjes heen en weer.

O ja. Hij heeft zelfmoord overwogen, maar nooit van harte. Hij zag het eerder als iets dat hij moest doen, als een liefdesbetuiging over de dood heen. Hij had zelfs de Luger van zijn grootvader die hij in de oorlog van een dode Duitser had gepikt uit de lade gehaald.

Was het plichtsgevoel? Een laat gevolg van meer dan twaalf jaar katholiek onderwijs? Of was er iets in hem dat weigerde te buigen, de lichtvoetige, staalplaten krijger die hij ooit eens was geweest? Hij kon het niet, hij besefte dat hij het zelfs geen seconde echt had overwogen. Het deed verdomme pijn om zichzelf op die oneerlijkheid te betrappen maar het luchtte ook op.

Binnen deze muren, eens geliefd, nu gehaat maar vooral vertrouwd, zou hij blijven wonen. Tussen het spuuglelijke bloemetjesbehang, maar ook tussen alles wat zij ooit eens had gemaakt en aangeraakt. Híer hadden haar vingers gerust en het lichte hout gestreeld, dààr hadden haar ogen meer dan eens gepauzeerd, vooraleer ze hem plagend, vragend, had aangekeken. Hij besloot om te blijven leven. Voor haar.

Maar dat was buiten de vrachtwagen gerekend die hem nog de volgende dag van de weg reed...

***

- 'Jezus! Wat een kuteinde!'
We liggen opnieuw in bed. Je schudt demonstratief met je hoofd. Je haren schikken zich langzaam over de lakens.
- 'En dan die lichtvoetige, staalplaten krijger...'
- 'Ik vond het net een goed beeld.'
- 'Compleet erover.'
- 'Baboesjka.'
Ik probeer niet te smeken.
- 'Ik zie dat je wat meer uitleg bij de Luger geeft. Da's wel goed.'
- 'Dank je.'
- 'Maar het einde is kut.'

We vallen in slaap, onze ruggen naar elkaar gekeerd.

***

Ik ben bezig met de derde versie als er aan de deur wordt gebeld. Barbara. Een ongeval. De politie handelt slecht nieuws dus niet telefonisch af. Zelfs dat had ik fout. Mijn handen vallen krachtloos langs mijn lijf. Ze zijn inderdaad te groot.

Ik heb geen Luger. Toch ken ik tientallen manieren om er een eind aan te maken. De verschillende methodes trekken één voor één door mijn hoofd, als een lugubere, cynische processie. Schoonmaakmiddel. Touw. Riem. Mes. Medicijnen. Elektrocutie. Uithongering. Overdosis. Geen enkele manier lijkt me echt geschikt.

- 'Niet doen,' zei je.

Ik staar voor me uit. Dagenlang. Ik overloop onze mooie momenten. Het zijn er veel, stel ik tevreden vast. Ik hoop dat ik ze - als ik ze regelmatig herhaal - nooit zal vergeten. Plots wil ik naar buiten. Ik heb al te veel van mijn leven tussen deze zes wanden doorgebracht.

De avondzon kleurt de lucht oudroze. Het waait zacht. Het is fris, maar dat geeft niet. Ik beeld me in hoe je over mijn schouder heen kijkt en goedkeurend knikt en iets zegt als 'Ja. Dit einde vind ik beter. Veel beter.' En je lacht.

***

- 'Fijn hoe je de verschillende verhaallijnen door elkaar mengt,' zegt Karel.
Hij draait de laatste bladzijde om, alsof hij denkt - hoopt - dat er nog iets komt. Voor een redacteur, bij een befaamde uitgeverij dan nog wel, leest hij onrustwekkend traag.
- 'En de titel, waar heb je die vandaan?'
Ik had deze vraag verwacht en toon hem de poppetjes. Hoe ze naadloos in elkaar passen.
- 'Mooi, mooi,' zegt hij bewonderend.
En dan een pauze.
- 'Alleen het einde is kut.'
- 'Ik zal het herschrijven,' beloof ik, ook al weet ik niet waarom.


[gepubliceerd: 26 januari 2008]
 
^