Meander * Eerder * Verhalen * Zwarte randen
 
Zwarte randen
Kobe Van Steenberghe

Het moet ergens in de winter van 1992 geweest zijn, de eerste maal dat ik haar zag bij de antiquair. Ze stond daar in een koud donker hoekje en was met stof bedekt. Haar eenzaamheid riep me toe, verleidde me. Het zachte, warmbruine hout had een aantrekkingskracht op mij die ik nooit tevoren had ervaren. Ik wist, dit wordt mijn schrijftafel, de kiem van mijn verhalen.

Nog diezelfde avond sukkelde zij mijn kamer binnen. Ik duwde haar de hoek in, waar het hout al wat verkleurd was en het licht binnensijpelde doorheen de scheurtjes in het gordijn. Eerst leek het of deze schrijftafel zich in niets onderscheidde van de ontelbare andere schrijftafels. Totdat ik haar eens goed bestudeerde en ik haar meedogenloze kracht voelde.
In de bovenste lade zat een sleutelgat met daarin de bijbehorende sleutel, die verroest en een beetje verbogen was. Ik trok de lade, die kreunend weerstand bood, langzaam open. Toen het licht er in viel, stroomde een verontrustend gevoel tergend traag door mijn aderen. Daar lag ze, de kaart met de zwarte randen.
Ik nam ze in mijn handen. Er kroop een onheilspellend gevoel langs mijn ruggengraat omhoog. Geschrokken gooide ik de kaart terug de lade in. Ze lag daar, roerloos, op precies dezelfde plaats als waar ik haar gevonden had. Ik duwde de lade, die nu plots geen weerstand meer bood, dicht en verhulde zo de macabere ontdekking.

Die eerste nacht, zovele jaren geleden, dat ik in de kamer met de schrijftafel sliep, kroop er een onverstaanbaar, allesoverheersend gefluister over de muren. Toen ik ´s ochtends wakker werd, voelde ik me alsof ik in weken geen oog had dichtgedaan.
Ik bekeek de lade en zag dat de sleutel zich niet meer in het kramakkelige slot bevond. Ik trachtte me te herinneren waar ik hem gelaten had. Maar hoe ik ook zocht, de sleutel bleef spoorloos.
De eerste weken dat ik aan mijn schrijftafel zat, kreeg ik geen letter uit mijn pen. Ik verbeeldde me steeds een ijzig gekerm te horen. Het leek uit de lade te komen. Even plots als het begonnen was, verdween het echter weer. Verhalen begonnen als inkt uit mijn pen te vloeien en ik kon opnieuw rustig slapen.
De lade had nog steeds een bepaalde aantrekkingskracht op mij, maar deze was veel zwakker dan voorheen. Er ging geen dag voorbij dat ik niet aan de inhoud van de lade dacht, maar na enkele jaren werd ze een verloren geheim.

Tot enkele weken geleden. Ik was verstrengeld in een nachtmerrie. Toen ik wakker schrok, was de herinnering levendiger dan ooit tevoren. Ik voelde de aanwezigheid van het hout mijn lichaam binnendringen, alsof het net ontwaakt was. Had het al die jaren gewacht?
Sindsdien is er geen nacht voorbijgegaan waarin ik niet wakker schrok, nat van het koude zweet. Mijn angst zwol aan en meer dan eens meende ik tergend kil gelach te horen.
Toen ik de vorige nacht wakker schrok en de lade zag, dacht ik: Genoeg!
'Genoeg!' schreeuwde ik.
Het geluid ebde weg naarmate ik dichter en dichter in de buurt van de schrijftafel kwam. Ik voelde aan de lade, sleurde en rukte eraan, maar ze gaf geen kik. Plots verkrampte mijn hand. Geschrokken deinsde ik achteruit. Ik scharrelde snel mijn lakens bij elkaar en rende naar de logeerkamer, waar ik na enkele uren zenuwachtig woelen eindelijk de slaap kon vatten.

Toen ik vandaag mijn kamer betrad, zag ik opeens de sleutel liggen. Hij was nog steeds verroest en een beetje verbogen, doch hij was angstwekkender dan tevoren. Ik keek verward rond, maar de rest van de kamer leek hetzelfde te zijn gebleven. De hele dag bespiedde ik de sleutel, zittend in mijn stoel. Bij het vallen van de nacht had ik eindelijk de moed bij elkaar gesprokkeld om hem in mijn handen te nemen.
Hij leek zwaarder te wegen dan mijn herinnering me toeliet te geloven. Ik dwong hem het sleutelgat in. Toen ik hem een halve slag draaide, klonk er een harde klik. Mijn hart begon sneller en sneller te slaan. Na enig wrikken kon ik de lade openen.

Daar lag ze, de kaart met de zwarte randen. Ze lag nog steeds op dezelfde plaats en al die jaren eenzaamheid hadden haar bedekt onder een laagje stof. Een doodskaart.
Er leek iets niet te kloppen. Door het stof heen schemerde gekriebel, daar waar vroeger niets stond. Ik nam de kaart in mijn handen en veegde het stof eraf.
Mijn ademhaling stokte. Het was mijn naam. Eronder stond mijn sterfdatum, 11/02, vandaag. De kaart gleed tussen mijn vingers uit, de lade in. Ze viel op exact dezelfde plaats.


[gepubliceerd: 23 februari 2008]
 
^