Meander * Eerder * Verhalen * Bella
 
Bella
Peter R. Hein

Het verhaal van Bella begon voor mij jaren later. Toen ik al lang vanuit Jerusalem naar Haifa was verhuisd. Ik reed met de bus naar het Technion [1], waar ik docent bouwkunde was. Die ochtend geselde de hitte van de chamsiem [2] het hele land nog vroeger dan anders. Bij iedere bushalte in de drukke benedenstad werkten ongeduldige mensen zich dringend en schreeuwend, tegen elkaar in, naar binnen en naar buiten. Sissend gingen de deuren dicht. Kreten van vrouwen die klem zaten of die hun boodschappentassen tussen de deuren uit naar binnen probeerden te trekken. Het stonk naar zweet, rot fruit, gloeiende dieselwalmen en smeltend asfalt.
De bus reed weg. Op dat moment zag ik, als in een flits, de oude vrouw op het bankje in de schaduw in het bushokje. Daar zat ze. Bijna hetzelfde gerimpelde gezicht en hetzelfde lange grijze haar: Bella, de oude zwerfster uit mijn jeugd. Alsof er sindsdien niet meer dan veertig jaar verstreken waren.

We woonden in die tijd allemaal in de rechov [4] Betzalel. Onze wijk was eigenlijk een soort dorpje in de stad. De kruidenierszaak van de Smolenski's, Poilen [3], zoals mijn moeder misprijzend zei, was nog niet verdrongen door de supermarkt in de rechov Barkan. Bij slager Lazar maakten de Roemeense vrouwen iedere dag weer ruzie over wie het eerst aan de beurt was. Mijn moeder kocht er altijd niertjes en zwezerik, kippenmaagjes en runderhart. En milt natuurlijk, die ze op dezelfde manier vulde en dichtnaaide als haar moeder en haar grootmoeder dat in hun tijd, toen ze nog in Worms woonden, ook gedaan hadden. Onze schoolspullen haalden we in het stoffige zaakje van de manke Lipschitz, die uit het halfduister steeds te voorschijn wist te toveren wat we nodig hadden.
Kapper Tal kletste met een zwaar accent over zijn geboortestadje Krakau. Over de politiek, over Auschwitz, over de hitte van die zomer, die toen in Jerusalem even ongenadig was als hier en nu in Haifa. Iedereen in ons buurtje sprak met een of ander accent uit het oude Europa. Of ze spraken Jiddisj. Het was een wonder dat wij zo foutloos Iwriet [5] spraken.

Terwijl meneer Tal knipte zag ik af en toe het zwarte nummer voorbijkomen, dat slordig in het bleke vel van zijn ene arm getatoeëerd was. De meeste mensen in onze wijk hadden zo'n nummer, maar niemand toonde het zo ongegeneerd als meneer Tal.
We speelden bij de kreten van de straatverkopers. Bij het getoeter van het verkeer om de hoek, in de rechov Jarmoek. Bij het lawaai van de remmende en optrekkende Egged [6] bussen.
Op het bankje van de half overdekte bushalte, verderop in onze straat, zat Bella, zoals iedereen haar noemde, met haar witte hondje, Uli. Als we 's ochtends vroeg met onze volle schooltassen bij die bushalte aan kwamen lopen, terwijl we uitgelaten naar elkaar schreeuwden, zaten ze er al. Om precies te zijn: ze zaten er al vanaf de eerste bus van de ochtend.

Bella wachtte.
Ze wachtte al jaren.
Gelaten, murw, geduldig, het lijden voorbij.
Dat was altijd zo geweest, dachten we.

Nog voor de bus vanuit rechov Jarmoek onze straat in draaide, spitste Uli zijn oren. Dan veerde Bella op en wisten wij dat onze bus eraan kwam. Ze boog naar voren, kneep haar ogen wat toe en keek omhoog naar degenen die uitstapten en boven haar uittorenden. Even zat ze verloren in de wirwar van haastige mensen om haar heen. Zodra iedereen uitgestapt was en wij de bus in waren gevlogen, in onze strijd om de achterste bank, zakte ze met een teleurgestelde blik terug. Terwijl we wegreden keek zij al weer - net zo berustend als tevoren - naar de hoek van de straat. Laat in de middag als wij terugkwamen, zat ze er nog steeds. Ze wachtte… Alsof tijd voor haar niet gold, alsof ze buiten de tijd leefde.

We kenden ze allemaal daar in ons buurtje: de mensen met hun nummers,
de thuiskomende legermeisjes in hun keurige kaki-uniformen. De energieke krachtige jonge mannen met hun uzi's [7] nonchalant over de schouder, die vlak voor Sjabbat, vanuit hun legerkampen, naar huis gelift waren. We kenden meneer Choresh, met zijn vuilgele baard, dikke hoornen bril en grijze gleufhoed, die hier al lang voor de oorlog naartoe was gekomen. De hele dag zat hij in zijn groentestalletje en schommelde heen en weer, terwijl hij zonder op te kijken gebeden prevelde uit een versleten gebedenboekje.
We kenden ze allemaal. En we kenden Bella. Of eigenlijk kenden we haar helemáál niet. Op wie wachtte ze? We vroegen het ons toen niet af. Ze kwam uit Polen, dat was alles wat we van haar wisten. Later was er eens iemand die zei dat ze bij de bushalte wachtte op haar man.

's Avonds, als het iets koeler werd en als de rust neerdaalde over onze wijk, waar het nooit helemaal stil werd, speelden we een partijtje voetbal. Tot laat in de avond schalden onze wilde kreten uit het parkje van Nahalat Binyamini, dat vlak bij de bushalte lag. Tegen de tijd dat we naar bed gingen zat Bella er nog steeds.

Ze droeg altijd dezelfde kleren. 's Zomers, als het stof met de gloeiend hete wind uit de woestijn achter de stad opsteeg en een gelig waas over de gebouwen legde. Als de okerkleurige stenen van de muur om de oude stad kraakten onder het geweld van de blakerende zon en wij binnen bleven in de schemering van onze huizen. En 's winters, als het bij ons zo vinnig koud kon worden dat ik me zelfs sneeuw herinner. Met haar lange verschoten grijze rok en grof gebreid vest met mouwen, die haar armen tot aan haar polsen bedekten, zag ze er - achteraf gezien - nog redelijk verzorgd uit. Naast haar stond een bultige versleten leren boodschappentas, waar waarschijnlijk van alles in zat, maar ik heb haar nooit iets zien eten of drinken. Ze zat op haar bankje en keek naar links, de straat uit, en wachtte. Ze deed ons denken aan grootmoeders die we niet gekend hadden en waar onze ouders niet over wilden praten.
In het winkeltje van mevrouw Gerson op nummer 20 hoorde ik eens dat Bella na de oorlog met een groepje overlevenden uit Bergen Belsen, met een illegaal immigrantenschip, in Palestina aangekomen zou zijn.
Alléén.
Toen ze aankwam was ze al totaal mesjogge, zeiden ze. Er was niemand met wie ze optrok. Kort daarna installeerde ze zich bij de bushalte. En daar wachtte ze. Eerst alleen, later met Uli.

"Mesjoggene Bella!" Als je ons gevraagd zou hebben of Bella gek was dan zouden we je aangekeken hebben alsof je zelf gek was. Natuurlijk was Bella niet mesjogge, al zei ze nooit wat en zat ze daar maar, met haar gezicht in de richting van waaruit de bussen kwamen. Voor ons hoorde Bella gewoon op dat bankje in het bushokje. Ze hoorde bij de buurt. Ze was een rustpunt in onze altijd rumoerige straat. Dat realiseerden we ons pas veel later, toen ze er al lang niet meer was.

De tijd verstreek in ons wijkje. Er verhuisden mensen en er kwamen nieuwe bij. En wij? Wij hingen nu vooral rond bij de falaffeltent van Itzik, waar de beste falaffels van de stad te koop waren. Bij de shoarmazaak van Eli Katzan probeerden we ons belabberde Engels uit op de blonde gojse [8] backpackers die elkaar daar ontmoetten. Tot diep in de snel invallende avond was de radio afgestemd op radio Cairo of radio Damascus en iedereen floot mee met de toen zo populaire zangeres Oem Koeltoem, die door de straat blèrde.

Bella veranderde in al die jaren nauwelijks.
Nog stééds wachtte ze.
Nog stééds veerde ze bij iedere bus even op en spitste Uli zijn oren.
Nog stééds zakte ze droevig terug als de deuren van de bus zich sloten.
Dat eindigde allemaal, toen op een ochtend die slome Jossi zei: "Hé, waar is Bella…?" Zoals gewoonlijk letten we weer eens niet op hem, maar duwden we elkaar bijna van de stoep om als eerste de bus in te kunnen stormen.

De hitte ligt zwaar over de stad.
Hoe kan het dat er méér dan 40 jaar voorbijgingen…?
Méér dan 40 jaar voordat ik me dingen afvraag die we ons toen nooit afvroegen.

Wie was Bella eigenlijk?
Had ze kinderen gehad?
Wat was er met haar man gebeurd?
Waar kwamen ze vandaan?
Hadden ze in een sjtetl [9] gewoond of kwamen ze uit Warschau?
Waar en wanneer werden ze gescheiden?
Hebben ze elkaar, nadat ze uit de kampen waren gekomen, nog gezocht?
Of was hij al gestorven toen Bella bevrijd werd?

De oude Polanski, met zijn versleten lijf, die twee concentratiekampen overleefd had, meende destijds, dat hij Bella's man in het Ghetto van Warschau was tegengekomen. Maar wij luisterden in die tijd natuurlijk niet naar ouwe zielepoten uit de galoet [10].

Toen Bella later die ochtend gevonden werd in het parkje van Nahalat Binyamini, vlak bij de bushalte, zat Uli naast haar. Twee mannen tilden haar in een lijkwagen en reden weg zonder op de hond te letten.
De volgende ochtend zat Uli als vanouds op zijn plek. Toen hij ons zag, likte hij zijn lippen, kwispelde en keek nerveus een paar keer om zich heen. Bij de komst van de bus stond hij even op, draaide wat rond en ging besluiteloos weer zitten. Terwijl we wegreden keek hij alweer aandachtig de kant op vanwaar even later de volgende bus moest komen. Ook de dagen daarna zat hij bij het bushokje.
Hij wachtte daar iedere dag opnieuw, alsof Bella nog naast hem zat.
Na een tijdje was ook hij er niet meer.
Hiermee was zelfs de herinnering aan degenen op wie Bella gewacht had, uitgewist.

[1] Technion: Technische Hogeschool in Haifa
[2] Chamsiem: hete wind
[3] Poilen (Jiddisj): (afkomstig uit) Polen
[4] Rechov: straat
[5] Iwriet: modern Hebreeuws
[6] Egged: Israëlische busmaatschappij
[7] Uzi: soort machinegeweer van Israëlische makelij
[8] Goj: niet-jood
[9] Sjtetl (Jiddisj): Joods dorpje in Oost-Europa
[10] Galoet: verstrooiing



[gepubliceerd: 22 maart 2008]
 
^