Meander * Eerder * Verhalen * Spiegelijs
 
Spiegelijs
Inge Bak

Innerle keek naar het wit. Haar platte handen maakten een afdruk. Het eerste wat ze zag en voelde was het ijs. Later de lucht en toen ze verder strekte, kwam ze uit bij het water. Wat een schok. Wie was dat? Ze had er geen woorden voor. Innerle had woorden voor donker. Voor denken. Voor dromen in daglicht. Maar buiten de sneeuwhut was het leeg. Niets droeg een naam van betekenis.

Gauw trok ze zich terug. Blies adem langs de gekromde vingers. Alle kleuren draaiden in haar rond. Ze werd warm van groen en blij van de oranje vlammen in het vuur. Betreurde donkerblauw en vroeg zich af waarom ze op de wereld was. Wat was haar wereld? Hier, opgerold in bont, temidden van kleurrijke gedachtes. Of dat daar buiten. Op het gladde wit, het blauw boven haar dat ze kende van binnen, of het ijskoude nat waar ze iets vreemds in zag.
Ze stelde die vraag aan Ik: 'Ben ik binnen Ik? Of ben ik buiten Ik?'
Ik antwoordde met: 'Je bent beide. Het een kan niet zonder het ander.'
'Dus ik moet toch eens naar buiten?'
Terwijl ze de vraag stelde, weerklonk het antwoord al in de sneeuwhut.

De volgende dag probeerde ze het nogmaals. Innerle duwde waarmee ze dacht naar buiten. Op haar buik schoof ze naar voren. Naar het ijskoude nat. Weer zag ze waar ze geen woorden voor had. Maar ook dat het uit de sneeuwhut kwam gekropen. Dat het iets van haar moest zijn.
De derde dag besloot ze de hut maar helemaal los te laten. Wat ze toen zag, beviel haar. Het beviel haar zo, dat ze er niet over piekerde terug naar binnen te gaan. De glimmende waterspiegel betoverde. Innerle vond dat ze anders moest gaan heten. Haar naam paste niet meer. Voelde net zo benauwd aan als de beslotenheid van de sneeuwhut. 'Vanaf vandaag heet ik Uiterle,' sprak ze hardop. En wierp haar oude naam naar een veelvraat even verder op, die het tezamen met een halve walvis opvrat.

Haar sneeuwhut sneeuwde onder. Verdween uit zicht. Ging op in de witte heuvel temidden van het wit. Volgens Uiterle diende ze nergens meer toe. Daarop harpoeneerde ze een zeehond, verfde haar lippen rood met bloed en liet haar haren glimmen van onderhuids vet. Wat was ze mooi. Mooi; een woord van glimlachen en bewonderen. Voor alle mooie dingen om haar heen bedacht ze woorden. Zoals voor de kraag van kariboebont rond haar opgepoetste gezicht. De lange beenderen ketting en een opgesmukte laars. De hele dag staarde ze naar haar spiegelbeeld en dacht: Mooi!

Na een paar manen begon het te vervelen. Uiterle had alles nu wel een naam gegeven, maar geen betekenis. Haar mond was rood maar vertelde niets. Eens had ze vol verhalen gezeten. Nu vormden de lippen alleen nog maar een cirkel van mooi. Plotseling miste ze haar hut. Gauw groef ze de hut uit en kroop weer naar binnen.

Wat een warreling van gedachten. Waar te beginnen? Toch begon ze. Netjes stapelde ze een berg van huiden op. En daarmee kwamen de vragen terug. Waarom doe ik dit? Waarom is dat zo? Waarom kan het niet anders? Haar Ik praatte weer tegen haar en ze wist weer wie ze was: Innerle. Maar haar naam lag op de bodem van de veelvraat zijn buik. Wat nu?
Geen naam. Dus ook geen gezicht. Ze wilde een gezicht. Opnieuw ging ze kijken naar hoe ze eruit zag. Spiegelde zich in het water. Had glans en kleur zonder vet en zeehondenbloed. 'Tja, dit ben ik ook. Wie ben ik nu?' Toen bedacht ze het te verdelen. Iedere dag zou ze een poosje in de hut zijn, maar er toch ook een paar keer op uit gaan. En vanaf die dag noemde ze zich Inuit. Toen Inuit ouder werd, kon ze ook buiten met haar ogen dicht de sneeuwhut in. Zag ze hoe in het voorjaar het ijs smolt en langzaam de grond binnendrong.


[gepubliceerd: 3 mei 2008]
 
^