Meander * Eerder * Verhalen * De kool en de geit
 
De kool en de geit
Joop Schaminée

Met mijn vork prik ik in de grote, nog dampende aardappel op mijn bord. Hij is niet tot een kruimige massa gekookt en breekt in tweeën. De glazige breukvlakken ademen extra damp, die in witgrijze vlagen omhoog kringelt.
Aan een zijde steken bruingemêleerde flarden van de dunne, opengescheurde schil over de scherpe rand heen. Aan de voorkant van de kloof die zich heeft gevormd, dringt de vette jus naar binnen, die mijn moeder heeft uitgegoten over de bruingebakken bal gehakt naast de aardappel. Een schep grofgesneden rode kool completeert het tableau. Zo direct zal ik een einde maken aan dit tafereel en de beide helften van de aardappel samen met het vleesnat tot een grauwe brij stampen. De kool is een zelfde lot beschoren.
Als de eerste van twaalf slagen de kamer vult, richt ik mijn ogen onwillekeurig op de pendule aan de muur. Juist boven het hoofd van mijn moeder. Het is alsof de klok uit haar lichaam tevoorschijn torent. Mijn moeder zit recht tegenover mij. Ze draagt een karmijnrode ochtendjas die ze tot aan haar hals heeft dichtgeslagen, alsof ze het koud heeft. Haar lippen zijn gestift, maar verder heeft ze zich nog niet opgemaakt. Twaalf uur, de middag is aangebroken. Over een uur zal de telefoon beginnen te rinkelen en niet veel later zal de eerste bezoeker aan de deur staan. Ik ben dan op mijn eigen kamer en zal haar vandaag niet meer zien. Tien, elf, twaalf, tel ik mee met de metalen slagen van de klok, terwijl mijn blik teruggaat naar de gladde zijden van de in tweeën gedeelde aardappel. Nu ik beter kijk, zie ik dat smalle banen korrelig uitgeslagen zetmeel voor wat tekening zorgen. Als smalle richels lopen ze horizontaal langs de schuin oprijzende flanken.

Met mijn vingertoppen betast ik de geelwitte rotswand. Die is gevormd uit zacht materiaal. Moeiteloos kan ik er met mijn nagels scherpe krassen in trekken. Fijn gruis hoopt zich op onder het uitstekende hoorn van mijn vingernagels. Een lauwe zomerwind stijgt op uit het dal beneden mij, met de zoete geur van rijpend fruit. In de diepte kronkelt een smalle rivier. Als ik goed luister, hoor ik hoe het onstuimige water zich een weg zoekt door het smalle dal. Een overhangend rotsblok belemmert mijn uitzicht, maar dat hindert mij niet. Ik weet dat het niet nodig zal zijn om de omgeving af te zoeken, ik hoef alleen maar te wachten. Toch klinken de inmiddels vertrouwde woorden nog onverwacht, misschien omdat ik ben afgeleid door het wondermooie landschap dat zich onder mij uitstrekt.
'De tijd, de tijd. De tijd kent geen grenzen. Wat was, is geweest. Wie weet, wat zal zijn?' Achter een doornstruik vandaan stapt een witte geit het smalle pad op dat voor mij langs de steile helling op slingert. In losse slierten hangt de vacht langs het ranke lijf. Zodra het dier mij ziet, houdt het de pas in en richt de trotse kop omhoog. De staalblauwe ogen van het dier kijken dwars door me heen. Aan een van de horens hangt een fors uurwerk dat is getooid met slechts één wijzer. Boven op de klok bevindt zich een reusachtige sleutel in de vorm van een vleugelmoer.
'Gisteren heb je een graf gezien. Het was onverzorgd, overwoekerd door netels en sluiers van warkruid. Misschien was het wel je eigen graf. Durf je het aan om de tijd nog een keer in beweging te zetten?' De woorden klinken vriendelijk, maar zonder emotie, onbewogen. Juist daardoor word ik gedwongen op mijn hoede te zijn.
'Het heden is voor mij niet langer draaglijk', antwoord ik met onvaste stem. Mijn handen reiken naar de horens van het waardige dier, dat de kop lichtjes voorover buigt. 'Door de toekomst te kennen kan ik het nu misschien accepteren,' vervolg ik, terwijl ik met mijn vingers zachtjes over de rug van haar neus beweeg. Ik voel de warmte van de huid onder de haren van de vacht.
'Het is gevaarlijk de toekomst te kennen', spreekt de geit, terwijl zij een kleine stap achteruitzet. Haar kop houdt zij gebogen in dezelfde houding. Ik kijk recht in haar ogen, die uitdrukkingsloos blijven. Ik voel dat er geen weg terug is.
'Je weet dat Elise je elk moment kan terugroepen,' probeert het dier nog één keer de zekerheid van mijn keuze te testen. Elise is de echte naam van mijn moeder, maar als de mannen haar bellen, heet ze anders. Zonder verdere aarzeling grijp ik met beide handen de klok vast en geef een korte maar ferme draai aan de grote vleugelmoer. Ik zie hoe de wijzer een sprong naar voren maakt.

De straat die ik zo goed ken, glanst in het vocht van een harde regenbui die zojuist het asfalt heeft geteisterd. De smalle goot kan het toestromende water nauwelijks verwerken. Net voor mij worden een paar pagina's uit een tijdschrift een rioolputje ingezogen. Ik wil alles goed in me opnemen en richt mijn blik op de huizen naast mij. Ogenschijnlijk is er weinig veranderd. Het komt me voor dat een van de toegangshekken een andere kleur heeft gekregen en ook de bomen en struiken lijken iets groter. Zo'n veertig meter verderop is het huis waar ik woon. Een hoge ligusterhaag die de kleine voortuin omzoomt, vormt een markant punt. Ter hoogte van de woning heeft zich een groepje mensen verzameld dat mijn aandacht trekt. Als vanzelf versnel ik mijn pas. Ik zie bekende en onbekende gezichten. Enkele mensen draaien hun hoofd in mijn richting. Met iedere meter die ik dichterbij kom, wordt de onrust groter.
'Dat is de jongen,' hoor ik iemand zeggen, maar ik doe geen moeite de stem te herkennen. Uit de groep maakt zich een agent in uniform los, die kordaat naar me toe komt. De pet die hij in de hand hield, plaatst hij terug op zijn hoofd. Nu ook zie ik dat net voorbij ons huis een ziekenauto staat geparkeerd, maar uit weinig blijkt dat er haast geboden is. De bestuurder zit in alle rust een sjekkie te draaien.

'Jij woont hier?' vraagt de diender met zachte stem, maar ik ben te verward om direct te antwoorden. Als hij de bevestiging in mijn ogen kan aflezen, legt de man zijn handen op mijn schouders. 'Het is beter dat je niet naar binnen gaat,' vervolgt hij. Op het ritme van de woorden grijpen de handen me steviger vast. Een paar omstanders komen dichterbij en vormen een blokkade. Als ik de man had willen passeren, zou de doorgang toch zijn afgesneden.
'Maar hoe? Maar wat?', probeer ik te vragen, terwijl ik verwilderd om me heen kijk. Beschaamd draaien enkele mensen hun hoofd van mij af, als duidelijk wordt wie ik ben. Stemmen verstommen, zodat ik niet meer dan onsamenhangende brokstukken van zinnen kan ontwaren. 'De voordeur stond open' en 'naakt op bed' meen ik te verstaan.
Mijn moeder, schiet het door mijn hoofd. Ik wil naar binnen, ik moet naar binnen. Maar het lukt me niet me los te rukken uit de greep van de agent. Machteloos schud ik met mijn hoofd. Mijn mond zakt open en uit alle macht schreeuw ik haar naam.

'Schiet eens een beetje op, je eten wordt koud', hoor ik de stem van mijn moeder. 'We hebben niet alle tijd.' Werktuigelijk druk ik mijn vork in het vlees van de aardappel en prak de jus er doorheen. Over minder dan een uur zal de telefoon beginnen te rinkelen.


[gepubliceerd: 17 mei 2008]
 
^