Meander * Eerder * Verhalen * De wachtkamer
 
De wachtkamer
Henk van Straten

Op weg naar het strand rennen we over de steile weg naar beneden. Het is moeilijk, onze zijn knieën niet gewend aan de neerwaartse kracht. We volgen het flap-flap-flap van een corpulent mens, zijwaarts rollend, wit vlees over heet asfalt. We lachen, mijn vrienden en ik. We zijn bezweet en jong. En daar ligt hij dan, een doodgeknuppelde zeehond, tot stilstand gekomen tegen de achterbanden van een Volvo-stationwagon. De achterklep van de auto staat open. Een konijnachtige man kijkt verschrikt naar de dikke getatoeëerde homp vlees aan zijn voeten. Zijn twee konijnenkinderen vallen stil en zetten een stap achteruit. De witte zeehond staat op, plukt vloekend de verzonken steentjes uit de speklaag van z'n buik en veegt het zand van z'n zwembroek.
Schatergelach. Hij heeft het echt gedaan. Het was geen bluf.
De man (roze polo, korte beige broek en verbrande armen) herinnert zich de brochure. Familiebestemming had daar toch duidelijk in gestaan? Om hem heen staan blote lijven met tatoeages en sigaretten en een gettoblaster en brede grijnzen. Hij gaat door met bagage uitladen. Negeert ons. Hoopt dat we vanzelf weer weggaan.
'Degelijke auto,' zegt de witte zeehond. 'Bent u zeker wel heel blij mee?'
Gekleurde handdoeken hangen nonchalant en verveeld over onze schouders terwijl we de weg vervolgen naar het strand, in de veronderstelling nooit te zullen sterven.

Op het strand. De hitte en het bier maken loom en ziltig. Ik heb een permanente semi-erectie, en soms een volledige, afhankelijk van de bikini's en zwembroekjes die om ons heen gedragen worden. Ik trek m'n knieën omhoog zodat niemand het ziet.
We rennen de zee in. Laten scheten en plassen onder water. Bestuderen ongegeneerd zwemmende vrouwen door een duikbril. We gooien een bal. We lachen. We zijn jong, jong, jong, godverdomme wat zijn we jong.

'Ik moet schijten,' zegt de kleinste van ons door zijn dikke brilmontuur. We lopen terug de berg op naar het appartement.
De langste van ons zegt: 'Gast! Filmen!'
Dus de kleinste van ons hurkt op een straathoek en schijt op de stoep, en de langste van ons filmt. We lachen. Giechelen eerder. De drol ligt warm en stinkend in de zon. De kleinste van ons veegt zijn billen af met droog gras. Er zit poep aan zijn vingers. Elke daaropvolgende dag, op weg naar het strand en weer terug, zien we de drol verder uitdrogen en verschrompelen. En iedere keer opnieuw lachen we er om alsof het de eerste keer is.

's Avonds aan de baai. Rollende, zwarte golven. We ruiken naar aftershave en aftersun. De stranddisco draait muziek uit het vorige decennium. Robbie Williams. We komen dronken binnen. De meisjes zijn jong, moeten alweer bijna thuis zijn, anticiperen gespannen hun eerste tongzoen. Voor een tongzoen doen wij het echter al lang niet meer.
De witte zeehond praat met een meisje van vijftien. Ze kijkt bang, geterroriseerd. We flipperen. We schreeuwen. Ik giet de zelf meegebrachte wodka in een glas cola. We doen gek op de dansvloer en wachten op actie. Op ruzie. Op het leven. Op nog veel meer dan dat.
Buiten kijken de lokale Algerijnen ons aan. We kijken terug en schelden in het Nederlands. Ze rennen weg en bekogelen ons van achter een container met lege, kapotgeslagen flessen. We proberen ze te pakken te krijgen. Het is oorlog.

Terug naar boven. De langste van ons kotst. We lopen langs de drol en lachen. Om de paar stappen rusten we even. De kleinste van ons heeft een gat in zijn bil door een van de flessen. Het is een perfect rond gat, alsof er een stukje vlees uit is gehaald met zo'n ding waar je appelkrozen mee verwijdert. Hij is er trots op. Het is een mooi gat.

De volgende dag in het dorp eten we discutabele hamburgers en drinken vieze milkshakes. We slenteren door de steegjes en kijken naar zonnebrillen en meisjesbillen. We drinken bier op het terras en roken duizend sigaretten. De langste van ons doet telkens net of hij dronken van zijn stoel flikkert. We lachen. Mensen naast ons staan op en gaan weg. Iemand laat een boer. Twee uur lang hangen we in de speelhal, spelen computerspelletjes uit de vorige eeuw. We kopen hasj van Algerijnen, wellicht dezelfde Algerijnen die zo graag met flessen naar ons gooien. Maar het is nu dag. Er gelden andere wetten.

Ons appartement is een museum van flessen drank, vieze onderbroeken en uitpuilende asbakken. We spelen poker en lezen thrillers. We laten scheten en bakken eieren. We stoeien en masturberen (solitair) in de badkamer. Muziek schalt door de speakers.
Ik kijk uit over de baai. De witte branding rolt als een enorme lijn coke het strand op en af. Jetski's tekenen figuurtjes in het water. Oude, verroeste vissersboten ronken richting zee. Iemand vraagt wie er nog bier wil. Meerdere mensen geven antwoord. Onze dromen worden door de zeewind mee de bergen in genomen.

We lachen zoveel dat de naweeën nog jaren zullen duren. We lachen omdat we niet beter weten en omdat we zenuwachtig en jong zijn. We lachen omdat daar nu eenmaal geen alternatief voor bestaat. We lachen naar de goden en we lachen naar de zon en we lachen naar de zee. Ook lachen we omdat we gewoon heel erg grappig zijn.

'Wie heeft deze gelaten?' vraagt de langste van ons op het dakterras. We liggen naast elkaar op plastic bedden. Onze tatoeages ingesmeerd met kokosolie, glanzend in de zon.
'Ikke,' antwoordt de witte zeehond. Hij wappert met zijn vlezige hand tussen zijn benen.
'Goeie!' zegt de langste van ons, en hij laat twee seconden later zelf ook een scheet.
Iemand trekt een blik bier open. Een ander vraagt: 'En waar is mijn bier?' Een libel landt op mijn buik. Zijn felle kleuren een boodschap van God. Ik word van m'n bed af gewipt en ren de dader achterna. We stoeien op het hete dakterras. Een brandblaar prijkt even later op m'n knie. Ik zeg: 'Vuile flikker, jij gaat nu bier halen.'
'Oké,' zegt de kleinste van ons. 'Wie als eerste met een vol blik bier die lantaarnpaal daar kan raken.'
Er volgt een discussie met de benedenburen.

De nacht ligt als een koele deken over onze dronken slaap. Gesnurk mengt zich met het tjirpen van de krekels. De kamer stinkt naar zweet en scheten en muffe kleren. Soms glijdt er een lading zeewind naar binnen. De maan valt gebroken door de hor van de balkondeur. Ik ben jong en ik ben verliefd. Ik weet niet op wie of wat, maar ik ben verliefd.


[gepubliceerd: 31 mei 2008]
 
^