Meander * Eerder * Verhalen * Walraven
 
Walraven
Niek Kalberg

'U ziet 't, ik blijf maar met die verdomde jeugd in m'n hoofd zitten.'
Edward slaat zijn benen over elkaar en kijkt naar de man voor hem. Walraven ziet er uit alsof hij net uit bed is gekomen. Een warrige bos grijzend haar, grove zwarte wenkbrauwen boven vlezige wangen met een baard van enkele dagen. Zo'n baard zou je met een trimmer op lengte moeten houden en bij de kin moeten afbakenen, denkt Edward. Dan heeft het nog iets gestileerds. Dit is gewoon ongeschoren.

Walraven reageert niet. Hij likt met zijn tong over zijn onderlip en legt het gelezen A4-tje naast zich op het salontafeltje. Hij heeft een smalle mond, een opvallend brede neus en kleine ogen, is weinig harmonieus van bouw, maar wat dat over iemands karakter zegt, zou Edward niet direct weten.
Toch had Walraven een tanige, soepele indruk gemaakt, toen hij Edward een kwartier geleden was op komen halen uit de kleine wachtkamer, met overal op de vloer hoge stapels National Geographics. Vlak nadat hij de deur van de spreekkamer open had horen gaan, was er iemand naar buiten gelopen die een zware motor had gestart en langzaam over het grindpad was weggereden. Daarna het geluid van voetstappen op de tegelvloer van de gang in de richting van de wachtkamer. De deur die met een zwaai was opengegaan, en dan zijn naam uit de mond van deze man die voor hem stond in een gekreukt donkerblauw T-shirt, een zwarte broek met vale vlekken, en daaronder witte Puma-sportsokken en een paar verschoten Birckenstock-sandalen.
'Komt u, meneer Van Rombeek?'
In de deuropening van de spreekkamer had Walraven zijn hand naar hem uitgestoken.

De hand, denkt Edward, centraal in de module empathie van elke zorgopleiding. Een versleten gebaar, betrokkenheid zonder betekenis. Zo'n hand is eigenlijk verworden tot een duw.
Edward ziet hoe de ogen van Walraven over het laatste blaadje schieten.
Mijn god wat doe ik hier, denkt hij. Zijn blik glijdt door de donkere, bedompte kamer, waar de ellende van duizend levens van de muren lijkt te druipen. Ingericht door de kringloopwinkel, en daar, oh moeder aller clichés, een negentiende-eeuwse divan met een plastic hoes over versleten paarse bekleding. Waarschijnlijk voor als een patiënt zich tijdens de regressie onderpist.

'Mijnheer Van Rombeek?'
De stem van Walraven scheurt hem los van zijn gedachten. De psychiater - ik zoek een stevige voor je, had zijn huisarts gezegd, anders stuur je hem alle kanten op - leunt achterover in zijn rotanstoel en kijkt Edward vragend aan.
'Zijn er nog meer mensen die zo'n invloed op uw ontwikkeling hebben gehad?
Dat irritante u. Met de jongensachtige charme waar hij blindelings op vertrouwt, had Edward hem voorgesteld elkaar te tutoyeren. De lul had hem koeltjes aangekeken en geantwoord dat hij er prijs op stelde met u te worden aangesproken. En dat terwijl hij minstens tien jaar jonger was dan Edward.

'Vader, moeder, familie, vrienden, uw vrouw.'
'Ex-vrouw.' Edward kuchte en legde de klemtoon nadrukkelijk op de eerste lettergreep.
Wat zou Maddy het geweldig hebben gevonden als hij hier vijf jaar eerder had gezeten. Om aan de relatie te werken. Ze had het hem zo vaak voorgesteld, op het laatst zelfs geëist. De relatie, dat abstracte gegeven, die donkere voor hem onbegrijpelijke grootheid, dat blok marmer waarin gehakt en gebeiteld diende te worden. Tenminste tot het de vorm had aangenomen die haar beviel. Dat eindeloze gezeik. En altijd over hem. Avonden, nachten. Tranen, gesmijt met spullen, deuren die open en dicht slaan, weggaan, terugkomen.
'Ex- vrouw, natuurlijk, maar u snapt wat ik bedoel.'
Walraven glijdt met zijn rechterhand onder de hals van zijn T-shirt en wrijft over zijn linkerschouder. Dat doet hij vaker, is Edward opgevallen. Het bolletje huid, of god weet wat hij er vandaan haalt, rolt hij tussen duim en middelvinger zorgvuldig rond en laat het dan achteloos naast zich op de grond vallen. Minstens twee bolletjes per sessie. Als ze zouden blijven liggen, ontstond er dan een berg van bolletjes, terwijl Walraven steeds verder zou slinken, tot hij uiteindelijk verdween?

'Meneer Van Rombeek?'
Edward schrikt op.
'Nou ja, ik dacht, laat ik hier maar eens beginnen.'
Hij wijst naar de papieren op tafel.
'Het is een soort opmaat, van wat ik zelf als het grootste trauma van mijn leven zie.'
Edward verstart. Jezus, zeg ik dat? Genante, opgeblazen zak die je bent. Een soort opmaat. Wat wil je? Een monument voor jezelf oprichten? Zolang geleden en wat heb je nou helemaal meegemaakt. Jij bent niet misbruikt, zoals Paultje en Herm. Jij bent hooguit gestreeld. Oké, je moest geregeld je bril afzetten om een paar kletsen in je gezicht te ontvangen. Je bent aan je wangen opgetild op het schoolplein door zo'n lachende zwartrok. Met een aanwijsstok op je vingers geramd. Een hele lange hoogzomerdag heb je niet mogen drinken tot je geen woord meer uit kon brengen. Je moest drie keer in de week om half acht in de kerk zitten om je stempelkaart vol te krijgen. Je werd van de hoge duikplank gelazerd omdat je niet durfde te springen. Je ging minstens een keer per week met vlammende buikpijn eerder naar huis.

'Een opmaat, zegt u?'
'Ik was negen en ik heb niet zulke leuke herinneringen aan die tijd'
'Dat lees ik hier, maar ik vroeg u...'
'Of er nog meer mensen waren die… Ja, natuurlijk.'
'Het kan geen kwaad die ook eens te beschrijven.'
'Maar ik ben hier nog maar net mee begonnen.'
Walraven gaat plotseling rechtop zitten.
'De rest kan ik u wel voor u uittekenen. U kreeg een klassieke katholieke opvoeding binnen een autoritair schoolsysteem. Dat werd geleid door een besloten mannengemeenschap waarvan de leden eigenlijk het priesterschap als hoogste ambitie hadden. Omdat ze dat niveau intellectueel niet haalden moesten ze kiezen tussen een geïsoleerd bestaan in het klooster en een meer maatschappelijk leven in het onderwijs. En tel die frustratie dan eens op bij de ondraaglijke seksuele spanning die het celibaat met zich meebrengt. Gevolg: excessen en het beschadigen van jonge levens.'
'Vreselijk en dit had niet met u mogen gebeuren.'
Hier wacht Walraven even.

Hij richt zich tot Edward in gespannen aandacht, wat hij nog niet eerder had laten zien.
'Maar u bent nu 56, meneer Van Rombeek, en hiermee kan dit hoofdstuk dicht.'
Walraven leunt bijna vergenoegd weer achterover. Zijn stoel kraakt.
'Ik zou zeggen, gaat u verder, maak het boeiend.'
Edward kijkt Walraven onthutst aan. Een vreemde, loodzware vermoeidheid slaat als een golf door hem heen. Als vanzelf laat hij zijn hoofd hangen tot zijn kin het boord van zijn coltrui raakt.
Speeksel vult zijn mond, zijn wangen beginnen samen te trekken. Niet overgeven, denkt hij, niet hier. Plotseling lopen er tranen over zijn wangen. Hij huilt zonder geluid te maken of te bewegen. Hij ziet ze druppen op zijn broek, zijn schoenen.
Ik neem het waar, denkt Edward. Dat is het, ik moet het waarnemen. Door een waas ziet hij de doos tissues voor hem op de grond in beeld verschijnen
'Mijnheer Van Rombeek,' zegt Walraven opgewekt.
'Mijn compliment, we zijn begonnen.'


[gepubliceerd: 28 juni 2008]
 
^