Meander * Eerder * Verhalen * Tante Anna's dood
 
Tante Anna's dood
Jo Willems

Al vanaf het begin van de reis, in het hoge Noorden, was mijn dure plaatsbewijs niet meer dan een eersteklasstaanplaats. Gelukkig veranderde dat op het laatste stuk van het traject. Hoe heb ik het die drie uur uitgehouden, dacht ik bitter, toen ik ten langen leste mijn reistas het perron van station Keldersberg op smeet en uitstapte. Ik was bijna alleen. Na het hoofdstation van Kern was de drukte zienderogen afgenomen. Wie wilde er nou verder reizen naar de doodse mijndorpen Keldersberg, Ramsberg en Mariadorp?

De tunnel naar het busstation was smeriger dan ik me herinnerde. Een echte stronttunnel die, volgens mij, sinds jaren niet meer was geveegd. De tunnel werkte als een vochtig, kil tochtgat. Ondanks de verlichting was het er griezelig schemerig. De paar mensen die er liepen, schenen dat te voelen tot in hun botten. In een tunnel die vochtig, kil en tochtig is, is geen mens op zijn gemak. Iedereen haastte zich om zo snel mogelijk uit deze val te ontsnappen. Ik bleef even stilstaan en staarde naar de vuilwitte wand, waarop iemand met vette, zwarte graffitiletters zijn gal gespoten had. Twee bibberig getekende hoge wolkenkrabbers, twee nog krakkemikkiger getekende vliegtuigjes en de met gotische letters gekalkte boodschap: Sieg Heil, Alkaida. Daaronder in rood een oproep: Pijpen, Korter of Langer, € 10. In deze tunnel was niets van een gewijde kerstsfeer te bespeuren. In heel Keldersberg trouwens niet. Daar hielp geen zondagse kerstmarkt, geen heilsverlichting, geen haldol of gebakken aardappelkoek meer aan. Kerstmis in Keldersberg, dat ging nooit uitgevonden worden.
Het kostte me niet al te veel moeite op het verlaten busstation het perron voor het Keldersbergerveld te vinden, hoewel het busnummer veranderd was. De route trouwens ook. De bus was nog geen drie hoeken verder of ik wist al niet meer waar me ik bevond. Ik onderdrukte de neiging op de stopknop te drukken. Waarom had ik ook geen taxi genomen? Het is verdomde waar dat het geen plezier is me te laten vervoeren. Sinds mijn tweede insult in korte tijd is de drang om zelf het stuur en gaspedaal te bedienen alleen maar sterker geworden. Ondraaglijk is het voor mij om mijn tempo door anderen te laten bepalen. Liever kom ik dan helemaal het huis niet meer uit. Maar voor een stervende tante Anna was ik bereid een paar uur tegen de golven van paniek te vechten. Ik tuurde de duisternis in en gromde en vloekte lijn 22 vooruit.

Hoe ik bij tante Anna in de Lindelaan nummer twee geraakte, weet ik niet meer precies. In de duisternis zag ik een helverlichte davidster die met een scheve vredesengel boven een levensgrote kerststal opgehangen was. Tot mijn opluchting herkende ik de kerk en de uientoren, en wist ik: hier moet ik eruit. Verder waagde ik het niet met de bus te reizen. Wie weet welke nieuwe mij onbekende nieuwbouwwijken hij nog zou aandoen, voordat hij richting Ramsberg zou rammelen? Dan liep ik liever, ondanks de vervelende regen die nu door de straten dreef.
Kerstweer! Mijn achternichtjes en -neefjes kenden 'de rijp lag op de daken' alleen van hun wintersportvakanties. Terwijl ik, hun malle oom van zo ver weg, zelfs nog nooit op ski's gestaan had! Niet dat het me aan het nodige geld ontbroken had. Het is er nooit van gekomen. Gelukkig was ik er zeker van, dat de wijsneuzige jongvolwassenen zich niet aan het sterfbed van tante Anna zouden wagen. Want dit moderne informatietijdperk heeft de tastbare dood uit huis verdreven. Scholiertjes sturen elkaar links toe (snuffx.com, inhumanity.com of rottensob.com) om executies en onthoofdingen op het internet te bekijken. Maar wanneer hun eigen oma gaat hemelen, dan is de wintersportvakantie de deus ex machina, de reddende engel. Ik was er blij mee dat mijn tante Anna een koppige vrouw was, even koppig als ik. Ze had tegen de wil van de behandelende artsen weten door te drijven, dat ze thuis zou sterven. Ze wist dat het haar laatste kerst zou zijn, zonder de kleinkinderen. Ik wist dat het haar zeer deed. Maar aan de andere kant, tante Anna had liever dat ze dan maar wegbleven. Aan brave oogjes opzetten en stiekem op de klok kijken of je al met goed fatsoen naar huis mocht, wie had daar wat aan? Dan zag tante Anna liever helemaal niemand aan haar bed.
Voor mij hadden de moderne tijd en tante Anna's eigenzinnigheid het voordeel dat ik buiten Louise, Marlies en Marie niemand in haar huisje zou aantreffen. Want ook de schoonzoons lieten maar al te graag verstek gaan.
'Iemand moet toch bij de kinderen blijven', had Marlies, de jongste, gisteren aan de telefoon getoeterd. 'Ze zijn zo druk bezig met alles voor de vakantie voor te bereiden. Je kent dat wel, altijd de volwassene uithangen, maar als het om iets praktisch als een koffer inpakken gaat… Mijn Harrie en Peter van Louise hebben het op zich genomen hen daarbij te helpen. En de kinderen hadden behoefte aan een beetje kerstsfeer. Ze komen morgenavond, kerstavond, bij ons. Ja, het leven gaat door, toch? Iemand moet bij de kinderen blijven.'
'Iemand moet toch bij de kinderen blijven', gromde ik haar na in de hoorn. 'Het leven gaat door.' Daarna zweeg ik veelbetekenend. Vanaf hun veertiende gingen die kinderen al met hun liefjes alleen op vakantie. Maar op kerstavond alleen, spullen pakken? Die Harrie en Peter? Stille nacht is beter dan stil de pijp uit.
'Ik blijf vannacht bij tante Anna slapen', zei ik hardop, toen ik uit de bus stapte. 'Die kant op! Of was het die?'

*

Ik was helemaal vergeten hoe mooi ze was, mijn tante Anna. In mijn kleine dorpsvilla in het noorden had ik zo nu en dan haar foto's bewonderd. Maar het was zo lang geleden, dat ik haar gezicht niet echt meer voor me kon halen. Nu stond ik vlak bij haar, aan haar bed en keek in die wakkere, grijze ogen en schrok ervan hoeveel Marie op haar leek. Tante Anna glimlachte aldoor tegen me, terwijl ik nauwelijks kon ophouden met huilen. Welk een diep leed werd daar aan haar sterfbed in mij losgewoeld! Ik had mezelf kunnen oorvijgen. Maar tante Anna was er blij om. Ze pakte mijn hand beet, streelde ze en fluisterde: 'Ondanks alles, je bent altijd mijn lieve jongen geweest. Je moeder sprak over jou als over een goede duif die altijd weer aanvliegt. Je hebt een goed hart, jongen. Ik heb dat altijd geweten.'
Door mijn tranen heen zag ik hoe ze haar kleine hoofdje sierlijk naar mij toegedraaid hield. Koket bijna, alsof ze ervan genoot dat ik zo heftig aan haar bed zat te janken. Had ik van tevoren kunnen raden dat ik zo zou moeten huilen, dan was ik zeker niet gekomen. Dit kwam nooit meer goed. Ik begreep niets meer van mezelf. Het enige dat tot me doordrong aan tante Anna's sterfbed was dat ik niet zozeer om haar huilde, maar om mijn eigen stomme verdriet. Een verdriet dat ik niet benoemen kon, maar dat me door zijn afgrijselijke leegte in mijn gehik en gesnik de adem benam. Hoe had ik die middag, toen ik in B. op de trein stapte, kunnen bevroeden dat ik al die jaren een dermate diep leed had meegezeuld? Dat had weinig met mijn ziekte, drankmisbruik en insults te maken.

Tante Anna stierf enkele uren later. Gelukkig jankten de drie dochters net zo hartstochtelijk als ik. We hadden alle schaamte verloren en vielen elkaar voortdurend om de nek. Marie, de oudste, fermste en mijn vroegere liefje, regelde alles telefonisch. Ik zocht de directe confrontatie en blafte de begrafenisondernemer af. Ik weigerde de kamer te verlaten toen de mannen in hun slechtzittende zwarte frakken zich opmaakten om tante Anna te gaan afleggen. Marie twijfelde ook geen moment en posteerde zich naast mij, de armen strijdlustig voor haar borst, haar blauwe ogen ijskoud en vastbesloten. De oudste van de twee ondernemers – zijn rug werkelijk kromgetrokken als die van een kraai - zei dat hij tante Anna eerst zou wassen. Een blik van verstandhouding en Marie en ik zeiden dat we dat zelf wilden doen. Hij kon ons vertellen wat noodzakelijk was, wat moest gebeuren, voordat we haar konden kisten. Het gewaarworden van tante Anna's lauwwarme lichaam bracht een nieuwe golf van huilbuien in mij op gang. Terwijl ik mij bukte en een hand onder haar rug bracht om haar van het bed te tillen, klaterden mijn tranen op haar al verstrakkend gezicht. Mijn tante woog hoegenaamd niets meer.
'Ik was helemaal vergeten, hoe mooi ze is', hikte ik tegen Marie.
Marie had het op dat moment te druk met de oude begrafenisondernemer. Dat plastic moest uit de kist.
'Dat is standaard, mevrouw', wierp hij tegen.
Marie's antwoord was doeltreffend: 'Mama is nooit standaard geweest.'

Voordat ik het lichaam in de kist legde, drukte ik het nog eenmaal dicht tegen me aan. We probeerden de goedkope stof in de kist zo te schikken dat het er toch nog een beetje uitzag. Tante Anna's voeten legde we onder het elastiek, de drie vrouwen strooiden rond haar hoofd wat rozenblaadjes. Het zag er een beetje mal uit, maar het moest zo, dat vonden we alle vier. En de kist kon de rest van de avond openstaan. Het deksel schroefden we er op de dag van de begrafenis zelf wel op.
Verbijsterd koekeloerde de oude kraai ons aan. Of we van plan waren de kist met de dierbare overledene in huis te laten? Het duurde een kwartier voordat we de man aan het verstand hadden gebracht dat dit tante Anna's wens was geweest.
'Maar ze woonde hier toch alleen als ik het wel heb?' schraapte de kraai met een droge keel. Zijn ogen stonden van zoveel onbegrip uitermate droevig.
'Zolang tante Anna nog boven de grond is, let ik wel op het huis,' verklaarde ik plechtig.
Met een diepe zucht en een slappe handdruk namen de ondernemende baasjes afscheid. In hun teleurstelling waren ze bijna hun hoge hoeden vergeten. Als een aal glipte de jongste terug de woonkamer in, griste de twee cilinderhoeden van tafel en droop af. Hoe dat nu allemaal met de rekening moest? Zo had ieder mens in het Keldersbergveld zijn eigen zorgen met Kerstmis.

*

Na de avond van tante Anna's dood stopten mijn huilbuien. Ik had de juiste blik weer om samen met Marie al het noodzakelijke te regelen. Het was een ware belevenis om te merken dat we nog zo beminnelijk konden zijn, zo vertrouwd. Marie had besloten bij mij te blijven, de dagen dat haar moeders lichaam nog onder ons was. Haar dochter, die ze - zonder een relatie met de vader aan te gaan - na onze scheiding nog gekregen had, was ten slotte al groot genoeg om een paar dagen voor zichzelf te zorgen. We leken wel een echtpaar, zoals we de familie ontvingen. Het echtpaar dat we nooit geworden waren.
Onwennig betraden de familieleden het huis van de dode. Ze wilden eigenlijk liever geen koffie en verdwenen snel. Of dat nou aan de dode in huis lag of aan het zij aan zij van Marie en mij, ik kon het niet zeggen. Niemand bleef lang, behalve oom Harry. Het nakomertje van de Elzakkers had blijkbaar de behoefte om fatsoenlijk en uitgebreid afscheid te nemen van zijn zus. Hij was de enige die de kamer in wilde waar tante Anna in de geopende kist opgebaard lag. Oom Harry wilde haar per se nog aanraken. Dat had hij misschien beter niet kunnen doen. Maar hij was dronken en koppig, zoals iedereen uit die familie, en hij liet zich niet van het voornemen afbrengen zijn lievelingszus nog eenmaal op het voorhoofd te zoenen. Bijna was hij met kist en al door de kamer gekukeld. Marie en ik konden er om lachen. De rest van de avond zat hij te zeiveren op zijn stoel en porde aanhoudend met zijn rechterwijsvinger in zijn hartstreek en jankte met dronkemanstranen: 'Dat doet híer zo'n pijn.'

*

De begrafenis was goedkoop, maar bevredigend. Niemand kende de priester die de Heilige Mis opdroeg. Het koor was vervangen door een cassettebandje, maar de muziek was in elk geval een gregoriaans requiem. De kerk was een kapel in een kliniek, zoals ik hem zelf de laatste maanden van binnen had leren kennen. Na de mis werd het kleine gezelschap met een bus naar het kerkhof vervoerd. Na kort beraad hadden Marie en ik besloten geen volgauto's te bestellen. Niet dat het er niet af kon. Het was gewoon beter, een bus. Toen we rond de baar stonden op het kerkhof en de oude ondernemer het sein gaf om afscheid te gaan nemen van de dierbare overledene, siste Marie: 'Ik heb zin om hem zijn kloten zijn keel in te stampen'.
Een beetje geamuseerd keek ik haar aan. Marie was een stille vrouw. En dit soort taal had ik haar nog nooit horen uitslaan. De verbeten blik op haar gezicht vertederde me.
'Kom je me eens opzoeken daar vlak bij de Noordpool?'
Mijn reactie op haar woede-uitbarsting klonk heel vanzelfsprekend en logisch.
'Natuurlijk', antwoordde Marie. Ze greep mijn hand, drukte haar gezicht tegen mijn borst en brak in huilen uit.

*

Niemand hoefde me uit te wuiven op het station. Dat had ik kinderachtig gevonden. Het was beter me te vervelen terwijl ik op het fluitsignaal wachtte, dan dat ik gekke bekken moest trekken naar iemand die op het perron stond. Ik haat het openbaar vervoer – ik kan het niet vaak genoeg zeggen - en sinds de dood van tante Anna heb ik er nooit meer gebruik van gemaakt.
De trein vertrok drie minuten te laat. Stel je voor dat Marie meegekomen was, wat een toestand! Toen de trein het station uitschommelde, bedacht ik dat het Oudejaarsdag was en dat ik mijn uitnodiging aan mijn gewezen liefje niet meer herhaald had. Ik voelde de tranen weer komen opzetten. Marie woonde met haar dochter alleen. Ze was nog altijd de schoonheid op wie ik verliefd geworden was. Ze had dat gitzwarte haar van tante Anna. En de teint van haar gezicht was zo fijntjes bleek. Haar blauwe ogen konden nog altijd spreken, net als vroeger en haar adem rook zoet, naar koek en kaneel. Ik troostte me met de gedachte dat ze werkelijk naar het Noorden zou komen. Over mijn langdurig verblijf in de kliniek heb ik niemand iets verteld. Dat zou nergens goed voor zijn geweest.

*

Morgen is de laatste therapiedag en word ik ontslagen. Dan mag ik – na weer een crisisverblijf van tien dagen – naar huis. We zullen zien hoe lang het deze keer goed gaat. Ik heb mijn dossier opgevraagd om erachter te komen wat ze nou van mijn geval denken. Vijf minuten gaven ze me om het in te zien. Het duizelde me van de termen en diagnoses: lichte vorm van pseudo-logica fantastica, licht paranoïde, zwaar narcistisch, genetisch bepaalde verslavingsdrang, maar alles in behandelbare mate. Ik moest er om lachen. Wanneer ze eens wisten?
Marie is nooit langs geweest. We hebben ook nooit gebeld of geschreven. Misschien dat ik morgen de trein neem. Of misschien laat ik het liever. Ik moet eerst mijn huisje weer op orde brengen. Als Bon – mijn vriend de herenboer - zijn woord maar gehouden heeft en zijn huishoudster goed op de poezen heeft laten letten. Hoeveel van die beesten heb ik in dat pokkedorp vol jonge doodsrijders nou al versleten? Ik kan me niet eens meer al hun namen herinneren. Stuk voor stuk zijn ze platgereden. Damn locals!
En Marie? Misschien volgend jaar! Met Kerst!



[gepubliceerd: 6 september 2008]
 
^