Meander * Eerder * Wereldpoëzie * Ewa Lipska
 
Interview met de Poolse Ewa Lipska
Sprankjes hoop vissen
door Sander de Vaan


Ewa Lipska (1945) is een vooraanstaande Poolse dichteres. Net als Wislawa Szymborska woont ze in Kraków, het culturele hart van het land. Bij De Geus verscheen in 2000 Mensen voor beginners, een keuze uit recente gedichten. Deze maand verschijnt bij dezelfde uitgever haar tweede bundel, Splinter, waaruit Meander één gedicht hier ter voorpublicatie mag aanbieden. Sander de Vaan interviewde Lipska over de 'belangrijkste anekdote uit haar leven'.

U heeft eens geschreven dat de poëzie voor u het vijfde jaargetijde is. Wat bedoelde u hiermee?
Ik bedoelde daar de tijd van onze fantasie mee, de tijd van ons eigen voorstellingsvermogen, aan gene zijde van de werkelijkheid. Alle denkende mensen zoeken in zichzelf naar dergelijke 'plekken'. Kunst geeft ons de kans om ze ook te vinden. Net als muziek en schilderkunst biedt poëzie ons een grandioze uitvlucht naar de allerverste zones van de fantasie...


Foto (c) Danuta Wegiel


In uw vaderland bent u meer dan eens ingedeeld bij de 'Nowa Fala-Generatie', de 'Nieuwe Golf'. Waarom hebt u altijd benadrukt dat u niet tot deze literaire stroming behoort?
Ik ben nog nooit lid geweest van een groep, dus ook niet van de 'Nowa Fala'. We hadden enkel een aantal dingen met elkaar gemeen: dezelfde leeftijd, vriendschappen, vergelijkbare levensverhalen en ervaringen. Daar is tot op heden geen verandering in gekomen. Onze gemeenschappelijke visie op de geschiedenis resulteerde indertijd in een taal van aanduidingen en toespelingen waardoor wij in staat waren om de censors om de tuin te leiden. We hebben allemaal ondergronds gepubliceerd en vergelijkbare politieke opvattingen gehad. Alleen in dit verband kan ik als een vertegenwoordigster van de door literatuurcritici als 'Nowa Fala' getypeerde generatie beschouwd worden.

Het werk van dichters als Wislawa Szymborska, Czeslaw Milosz, Zbigniew Herbert en uzelf is van hoog niveau. Hoe verklaart u de buitengewone kwaliteit van zoveel Poolse dichters uit de tweede helft van de twintigste eeuw?
Die verklaring ligt misschien in het feit dat deze poëzie de belangrijkste vragen van onze wereld behandelt, maar zonder daarbij af te zien van een zekere distantie, ironie en aandacht voor het groteske. Met andere woorden: ik vertel iets belangrijks over mijzelf, op de achtergrond zien wij het World Trade Center en in onze herinnering wordt vervolgens elf september 2001 geprojecteerd. Ieder land beleeft zijn eigen bloeitijd qua kunst. Soms zijn het beroemde dichters, soms ook musici of schilders.

Kraków speelt in de moderne Poolse kunstgeschiedenis een belangrijke rol. Hoe komt het dat de stad is uitgegroeid tot het poëtische hart van het land?
Vergeet u niet dat maar liefst twee Nobelprijswinnaars in deze stad gewoond hebben: Czeslaw Milosz en Wislawa Szymborska. Kraków is bovendien een belangrijke universiteitsstad en een verzamelplek voor jonge kunstenaars, met veel kunstgalerieën, koffiehuizen en cabarets. Daar komt die bohémienmentaliteit uit voort. Ik ben in Kraków geboren, het is de stad van mijn jeugd, ik ben er opgegroeid met het theater van Tadeusz Kantor, het 'Piwnica pod Baranami-cabaret', het Joodse festival...

Was is het 'Piwnica pod Baranami-cabaret'?
Piwnica pod Baranami betekent 'Kelder onder de rammen'. Het was indertijd het belangrijkste politieke cabaret van Polen.

Tadeusz Kantor werd wereldberoemd met zijn toneelstuk Dodenklas. Waarom waren zijn toneelstukken belangrijk voor u?
Kantor was een beroemde toneelregisseur, schilder, decorontwerper en kunsttheoreticus. Hij richtte in 1955 het Cricot 2-Theater op. Vanaf 1960 verzorgde hij zijn eigen ensceneringen en happenings. Hij is de belangrijkste vertegenwoordiger van het absurde toneel in Europa en de door hem gecreëerde ambiance heeft mij in mijn jeugd in belangrijke mate beïnvloed.

U kent Wislawa Szymborska goed. Hoe verklaart u deze unieke verschijning in de Europese literatuur?
We kennen elkaar al ruim veertig jaar. Ik was er bij in Stockholm, toen zij de Nobelprijs in ontvangst mocht nemen en we ontmoeten elkaar nog altijd zeer geregeld in Kraków. Wislawa Szymborska is een gevoelige waarneemster van onze wereld. Tegelijkertijd is ze ook een typische 'homo ludens', die de absurde aspecten van ons bestaan in een poëtisch - maar niet louter poëtisch onderhoud omzet. Ze is vermaard vanwege haar enorme gevoel voor humor en de gedistantieerde beschouwing van haar eigen poëzie. Ze vlucht voor het wereldse lawaai. Wellicht is het daarom zo moeilijk om haar voor schrijversbijeenkomsten te strikken.

Welke dichters leest u zelf graag?
Dat verandert mettertijd. In je jeugd lees je op een andere manier: emotioneel en veel. Later gaat je voorkeur meer uit naar essays, memoires en historische verhandelingen, ja, zelfs naar verafgelegen wetenschapsgebieden als de wis- en natuurkunde. Poëzie is dan enkel nog het intellectuele toetje.

Hoe belangrijk is dat intellectuele toetje voor u?
Ik heb altijd gezegd dat de poëzie de belangrijkste anekdote van mijn leven is geworden. Op moeilijke, 'ademloze' momenten in mijn leven werkte zij steevast als een frisse bries voor mij.

Waaraan moet volgens u een goed gedicht voldoen?
Hoe minder woorden, hoe meer inhoud...

U gebruikt nog minder komma's, waarom?
Een komma zorgt voor onrust. Je zou het een 'overvloed aan interpunctie' kunnen noemen. Het zou iets kunnen betekenen wat ik eigenlijk helemaal niet bedoeld heb.

Wat heeft u geïnspireerd tot het gedicht 'Dichter? Misdadiger? Desperado?'?
O, dat is een oud gedicht... Het is niet eenvoudig om na zoveel tijd de ontstaansgeschiedenis ervan op te rakelen. Meestal kent een bepaalde inspiratie meerdere bronnen. De auteur wacht enkel af en focust ze op het moment dat ze op elkaar botsen en 'ontvlammen'. Dit is een magisch, onbeschrijflijk ogenblik.

De filosoof Adorno zei: 'Het is barbaars om na Auschwitz een gedicht te schrijven'. Paul Celan toonde echter met zijn Todesfuge aan dat het belangrijk blijft om gedichten te schrijven. Roberto Benigni maakte op zijn beurt het tragikomische La vita è bella, door een shoaslachtoffer als Imre Kertész zeer positief besproken. Hoe staat u tegenover kunst na Auschwitz?
Kunst tracht uit hoofde van de haar verleende macht sprankjes hoop uit het menselijke drama te vissen. Ze probeert iets zinvols in ons absurde bestaan te vinden en dat vervolgens te redden uit onze beschaving, die in diepe crisis verkeert. Ze tracht dingen in herinnering te brengen, te herdenken, te waarschuwen, ook al weet men dat het vergeefse moeite is.

Wat kunnen wij van de naaste toekomst verwachten?
Adorno heeft niet voor niets voor de 'Cultuurindustrie' gewaarschuwd. We leven in een McDonalds-tijdperk, omgeven door informatiekabaal van de media en een reclamevloed. Maar ik ben een voorzichtige optimist en heb mijn hoop gevestigd op één procent van de mensheid, die aan dit 'globale dorp' ontkomen wil, en naar concertzalen, kunstgalerieën, bibliotheken en boekhandels trekt, op zoek naar waardevolle zaken.




naar de gedichten van Ewa Lipska


[gepubliceerd: 8 september 2007]
 
^    >