Meander * Eerder * Wereldpoëzie * Sigurbjörg Þrastardóttir
 

IJslandse poëzie
Een imaginair orgasme
door Sander de Vaan

Sigurbjörg Þrastardóttir (1973) is een van de bekendste IJslandse dichters van dit moment. Werk van haar werd in diverse talen vertaald en vorig jaar trad ze op tijdens Poetry International in Rotterdam. Sander de Vaan interviewde haar en selecteerde een aantal van haar gedichten.

Hoe zou je jezelf willen voorstellen aan het Nederlandse lezerspubliek?
Ik kom uit Akranes, een klein plaatsje aan de westkust van IJsland. Er stroomt poëzie door mijn bloedvaten, wellicht door het spectaculaire uitzicht vanuit het keukenraam in mijn ouderlijk huis - zee, rotsen, bergen en in de verte een gletsjer. Iemand zei ooit dat als mijn zus op mijn plaats aan tafel had gezeten, zíj de dichteres was geworden.
Ik ben begonnen met het publiceren van gedichten, en hoewel ik inmiddels ook andere paden ben ingeslagen, blijft de poëzie mij achtervolgen. Mijn eerste roman werd als erg lyrisch getypeerd, wat ik als een compliment opvatte, en in mijn toneelstukken besteed ik veel aandacht aan stijl en ritme. Ik zie graag dat een toneelstuk ook als een zelfstandig literair werk gelezen kan worden.


Foto: Nökkvi Elíasson
Wat betekent poëzie voor jou?
Voor mij is poëzie een voortdurende zoektocht naar de tastbare kern van dingen, naar hun innerlijke logica, hun schoonheid of asymmetrie. Het is een haast fysieke drang om alle dingen, groot en klein, op een andere wijze te beschrijven dan men in het dagelijks leven of in wetenschappelijke kringen doet. Ik tracht mijn eigen - al dan niet logische of fantastische - wereldkaart vol menselijke gevoelens te creëren. Daarom ook is alles toegestaan en niets onmogelijk.

Maar vanwaar die drang om gedichten te schrijven?
Ik wil graag iets scheppen en mij zo nu en dan een 'maker' voelen. Het schrijven van een gedicht is een uitdagende onderneming en als je een tekst af hebt, geeft dat veel voldoening - een imaginair orgasme. Het is een manier om te overleven, om dingen te doorzien. En natuurlijk is het soms ook een vorm van zelftherapie. Dat bespaart je een bezoek aan een psycholoog.

Je stijl is vaak erg alledaags, alsof je tegen iemand - niet noodzakelijkerwijs een psycholoog - aan het praten bent. Is poëzie voor jou ook communicatie, misschien wel van het onzegbare?
Alle poëzie is communicatie, denk ik. Als je op een dialoog doelt: ja, ik schrijf vaak gedichten 'aan' iemand - die daar waarschijnlijk geen flauw idee van heeft, uiteraard - maar dan wel in de wetenschap dat andere mensen ook tot die dialoog zullen worden toegelaten. Er kan dus een persoonlijk uitgangspunt zijn, maar als je een gedicht wilt publiceren, moet het ook betekenis hebben voor de lezer op straat of in het zwembad. Het hoeft niet precies dezelfde betekenis te zijn, maar er moet wel íets zijn... Wat een fraaie typering van poëzie: communicatie van het onzegbare - een echte paradox.

In 'Groei' schrijf je: 'ik graaf mijn handen / in de turf / laat ik me er meteen / maar mee bedekken'. De natuur lijkt de 'ik' hier te troosten voor de wereld der volwassenen. Klopt deze interpretatie?
Ja, voorzover de dood als troost kan worden omschreven. Als je sterft, ga je zes voet onder de grond, onder het gras. De jonge 'ik' in dit gedicht ligt in het gras, terwijl hij/zij overweegt om een kortere weg te nemen, de komende zeventig jaar te schrappen en meteen onder de grond te gaan liggen. Hij/zij is namelijk bang voor het leven. Dat is één interpretatie. Maar een andere 'correcte' interpretatie zou een ironische kunnen zijn. En dan is er nog een derde: de-natuur-is-beter-dan-mensen. Je mag zelf kiezen.

Maak je deel uit van een 'beweging' of 'generatie'?
Nee. Toen ik begon met schrijven vertelde ik dat aan niemand (behalve aan mijn twee favoriete literatuurdocenten, die mij erg gesteund hebben) en mijn beste vrienden werken in heel andere sectoren, van biologie tot marketing. Ik begon met publiceren in een tijd waarin ook andere jonge IJslanders - zowel dichters als romanciers - debuteerden. Maar we hebben niet zo veel met elkaar gemeen, behalve dan dat we allemaal in de jaren zeventig geboren zijn. Afgezien van Andri Snær Magnason behoort verder niemand tot mijn echte vriendenkring. Overigens volg ik ze wel en zo nu en dan komen we elkaar tegen bij lezingen, wanneer de publicatiedatum van nieuw werk van ons toevallig samenvalt. Het is dus vooral een generatie, maar zeker geen 'school' of 'kliek'. Soms benijd ik wel auteurs die tot een groep behoren. Zij kunnen elkaar steunen en ideeën uitwisselen. Maar uiteindelijk is het 'ieder voor zich' - ja toch? - zoals de helden uit de spaghettiwesterns het vroeger in de bioscoop van Akranes zeiden.

Het gros van die spaghettiwesterns werd in het Spaanse Almería opgenomen. Fictie in fictie dus. Hebben die films je geïnspireerd?
Misschien wel, hoewel zeker niet bewust. De beelden die je ziet, beïnvloeden de beelden die je schept, hetzij doordat je verwante onderwerpen aansnijdt of juist het tegenovergestelde doet. Ik hing vaak rond bij onze bioscoop, omdat mijn oma en haar zuster daar om de beurt kaartjes en eten en drinken verkochten. Mijn zus en ik hielpen af en toe mee. Dan namen we de telefoon op en wilde iemand twee stoelen aan het eind van rij 15 bestellen, omdat het vooral op donderdag en zondag al snel uitverkocht was. Dan noteerde je de bestelling en stopte je die in het oude, alfabetisch geordende schappensysteem. Je handschrift stond zelfs op de kaartjes, want die had je eerder die dag al een voor een met een pen genummerd aan de grote tafel in oma's woonkamer. Je kunt echt van alles doen met een pen...

Je bent veel op reis. Hoe belangrijk is dat voor je eigen poëzie?
Je kunt het ook omdraaien: hoe belangrijk is mijn poëzie voor mijn reizen? Het schrijven geeft betekenis aan mijn reizen, aan de plaatsen waar ik kom, de omgeving, de samenloop van omstandigheden. Bovendien is reizen een gevoel dat je nergens anders vindt, behalve misschien in drugs en literatuur. Je bent hier noch daar, je krijgt een bovenmenselijk zicht - neem een raamplaats in het vliegtuig - en een nieuwe invalshoek. Je begrijpt niets van wat een ander zegt en daarom moet je wel conclusies trekken uit andere dingen, innerlijke dingen.

Je collega-dichter Gerður Kristný noemde IJsland in een gedicht een 'uitgestrekt doodsbed'; houd jij er dezelfde visie op na?
Ja, ik kan mij daar wel in vinden. Het eerste gedicht van mijn allereerste boek gaat over de dreiging, de eenzaamheid en het aparte habitat-gevoel dat het IJslandse landschap bij mij oproept. Het is en blijft een haat-liefdeverhouding. Maar aangezien Gerður noch ik het hier na ruim dertig jaar voor gezien hebben gehouden, moet het wel een beetje meer liefde dan haat zijn.

Je hebt in 2006 op Poetry International opgetreden. Hoe is je dat bevallen?
Ik zeg dit niet omdat je toevallig Nederlander bent, maar het was een magnifiek festival. Niet alleen vanwege de omvang en de professionaliteit, maar ook vanwege de houding van de organisatoren. Zij behandelden iedere deelnemer als een 'royalty', zorgden ervoor dat alles tot in de puntjes geregeld was en waren persoonlijk verantwoordelijk voor ons terwijl we de hele nacht doorfeestten - wat precies datgene is wat mensen willen doen op een werkreis. Sommige festivals zijn er vooral voor dichters, andere met name voor het publiek, maar in Rotterdam lukte het om allebei te doen.

Wat kunnen we in de naaste toekomst nog van je verwachten?
Ik werk aan een roman, die ik misschien het beste kan omschrijven als een post-war liefdesverhaal. Maar het is geen historische roman. Het verhaal voltrekt zich in een zeer recente periode.

Meer lezen van deze dichteres? Koop dan de bloemlezing Moordliederen, verschenen bij uitgeverij Wilde Aardbeien (www.wildeaardbeien.nl)


naar de gedichten van Sigurbjörg Þrastardóttir


[gepubliceerd: 3 november 2007]
 
^    >