| Meander * Eerder * Wereldpoëzie * Davide Rondoni | ||
|
Davide Rondoni Sera italiana La tovaglia quadrettata nella luce bianca. E nella sera. Basterebbe vedere che è sera, vederla a tutti i tavoli del condominio mezzo ingombri dalla cena o spogli con su il telecomando riflessi nel video spento. Basterebbe ai pugni chiusi senza bicchiere per aprirsi - di scatto si rovescerebbero a mendicare battendo sul tavolo e sull'osso piatto della solitudine. Si vedrebbero molti uomini, molti uomini dalla fronte bassa, dalla grossa lingua, muti ai video, alla luce bianca, dentro la sera. Il suo muso di capretta la primavera metterebbe a brucare in quelle mani, confidente. Een Italiaanse avond Het geruite tafelkleed in het witte licht En in de avond zou voldoende zijn om te zien dat het avond is, te zien aan alle tafels in het gebouw half gevuld met avondeten of leeg met alleen de afstandsbediening erop weerspiegeld in het lege scherm. Het zou voldoende zijn voor de gesloten vuisten zonder drinkglas om zich te openen - plotseling zich om te draaien om te bedelen op tafel slaand en op het platte bot van de eenzaamheid. Men zou vele mannen zien vele mannen met een gebogen voorhoofd, met een dikke tong, zwijgend bij het scherm, in het witte licht, in de avond. Haar geitensnuitje zou de lente in die handen leggen, om te grazen vol vertrouwen. Uit: Het café van de tijd (1999) Il saluto Poi il cuore si fa silenzioso e tutti i clamori, gli stupiti mancamenti, e questi uccelli impazziti e dolci di parole chiudono le ali – e stanno a guardarti, tornati immobili sui rami del cuore osservano fermi con occhietti animali via quel tuo andare ma al saluto, ultimo, meraviglia uguale che dai con il viso sulla spalla perfetti sarebbero di nuovo già pronti ad alzarsi far casino, strepitare Het afscheid En dan verstomt het hart en al het rumoer, het verbaasde in katzwijm vallen en deze razende vogels met hun zoete stemmen vouwen de vleugels dicht - ze blijven naar je staren, teruggekeerd roerloos op de takken van het hart kijken ze met hun kleine dierenogen hoe je weggaat maar bij jouw afscheid, het laatste de kalme verwondering die je schenkt met je gezicht over je volmaakte schouders zouden ze opnieuw klaarstaan om omhoog te vliegen, tumult te maken, te krijsen. Uit: Hij zou wie dan ook bemind hebben (2003) New York Central Park, fine autunno, alberi di seta elettrica e color sangue nel freddo azzurro del cielo che salgono si aprono poi piano che si spengono, ombra che sta venendo, aria che si oscura. E inizia a splendere la corona ghiacciata dei grattacieli sulla folla più cupa nelle strade. Io chiedo a Oonagh: perché tieni i capelli così, grigi a trent'anni. Ma lei ballando muove la cenere della testa e gli occhi celesti impensabili fa un cerchio magico a Manhattan, fa di sé un incendio e apre braccia, remi, ali nell'oceano delle voci della sera. Senti che grida di barche invisibili. Nella baia nera. New York Central Park, het einde van de herfst, bomen van elektrische zijde, bloedrood van kleur tegen het koude blauw van de hemel, ze verheffen zich openen zich doven dan langzaam uit schaduw die komt, de lucht die verduistert. En de bevroren kroon van de wolkenkrabbers begint te schitteren over de somberste menigte in de straten. Ik vraag aan Oonagh: waarom draag je je haren zo grijs op je dertigste. maar zij die danst terwijl ze de as op haar hoofd beweegt en haar lichtblauwe ogen zo gedachteloos, ze tekent een magische cirkel om Manhattan, maakt zichzelf tot een vuur en opent haar armen, riemen, vleugels in de oceaan van stemmen in de avond. Hoor hoe ze roept naar onzichtbare boten. In de zwarte baai. Uit: Hij zou wie dan ook bemind hebben (2003) Oceano, cucina I Verrebbe da dire: me la sono cavata, fermo stanotte al tavolo della cucina mentre qui intorno nelle migliaia di appartamenti come in strani cunicoli sospesi per l'aria dormono tutti e l'argento della pioggia finisce nel buio. Verrebbe da dire: me la cavo con l'affitto e sorrido ai miei debiti, ma cos'è ancora questo vino luminoso e violasangue che mi esce tra i denti, le notizie come stelle terribili in mente non si dissolvono i fantasmi d'amore seduti, la luce sale, li sbianca, sono il viso di donne, le mani di stracci, carta pesta e amici che si voltano nell'acqua degli anni. Il mio amore non sta ancora fermo, mi alzo ed esco in terrazzo, il cuore è un puma sulle alture, ho gli occhi di mio figlio, stanotte é la prima notte del mondo. II Verrebbe da dire: me la posso cavare. Ma una volta mi fermai sul molo di Stone Island in un mattino splendido, ghiacciato nel mezzo della corsa della mia esistenza e sentii tutta l'oscurità del mare, l'enigma, il suo respirare che arriva in questa cucina, in una città italiana, nel silenzio spogliato, ed è il vibrare del frigorifero a trovare la stessa nota dell'oceano, la luce del video acceso a nessuno rende a queste stanze un chiarore di fondale. Verrebbe da dire: me la sono cavata, ma non è mai detto e non è nemmeno giusto da dire se l'infinito un giorno e molti giorni in una vita ti viene a visitare. Oceaan, keuken I De neiging hebben om te zeggen: ik heb het uiteindelijk gered roerloos vannacht aan de keukentafel zittend terwijl hier om me heen in duizenden appartementen als in vreemde holen hangend in de lucht iedereen slaapt en de zilverachtige regen overloopt in de duisternis. De neiging hebben om te zeggen: het lukt me met de huur en ik glimlach om mijn schulden, maar wat is dan deze heldere bloedrode wijn die tussen mijn tanden sijpelt, berichten als vreselijke hemellichamen in mijn hoofd de kwelgeesten van de liefde verdwijnen niet als je zit, het licht komt op, daar verbleekt het het zijn vrouwengezichten, flarden van handen, platgetrapt papier en vrienden die zich omdraaien in het water van jaren. Mijn liefde houdt zich nog niet gedeisd ik sta op en ga het terras op, het hart is een poema op de hoogvlakten, ik heb de ogen van mijn zoon vannacht is de eerste nacht van de wereld. II De neiging hebben om te zeggen: ik kan mezelf redden. Maar op een keer stond ik stil op een pier bij Stone Island op een schitterende ochtend, bevroren halverwege de loop van mijn bestaan en ik voelde de gehele duisterheid van de zee, het raadsel, haar ademhaling die deze keuken binnendringt, in een Italiaanse stad, in een naakte stilte en het is alsof het trillen van de koelkast klinkt in dezelfde toon als de oceaan, het licht van de televisie die aanstaat terwijl niemand kijkt aan deze kamers een diepe helderheid geeft De neiging hebben om te zeggen: ik heb het uiteindelijk gered maar je weet het nooit en het is zelfs niet juist om te zeggen dat de oneindigheid op een dag en vele dagen in je leven je op komt zoeken. Uit: Hij zou wie dan ook bemind hebben (2003) (c) Davide Rondoni Vertaling (c) Antoinette Sisto |
||
| <   ^   | deze tekst printen |