| Meander * Eerder * Wereldpoëzie * Nafiss Nia | ||
|
Nafiss Nia Dode vissen
De voetstappen van de nacht
op de veranda van de vergeten lente zijn ongetwijfeld het neuriën voor het onvindbare. Verspreid de verloren dagen over de gouden golven van de zon. De nacht is berouwvol dichtbij, de blikken van mijn zusters zijn nog altijd in afwachting en het zout dat de gedachten van de zee bezig houdt, grijnst pronkend de dode vissen toe: "Jullie geheim is veilig bij mij" Verspreid de verloren dagen over de gouden golven van de zon. De nacht is zo berouwvol dichtbij. Onderweg Met een vlinderjas twee goudvissen en een koffer vol blauw stap ik de stilte in; reis rond in de lucht. Af en toe logeer ik bij de wind wandel ik met de maan of schommel op een blad. Niets is me afgenomen behalve alles. Ik reis naar binnen en buiten dichtbij gefluister en ver van kabaal. Ik reis dromerig naar mijn einde: het vliegen. Zonder geel, rood en bruin
Gesloten vensters doen mij
denken aan het verdriet van de sterrenloze hemel aan de bruiloft van de doden aan de thuisloze herfst zonder geel, rood en bruin. Gisteren dat in niets op vandaag leek sloeg de vensters voorgoed dicht, de morgen die de dood van vandaag uitzwaait opent de gesloten vensters van gisteren. Herschepping De zon is nog niet op. Ik neem afscheid van de tuin die naar hemeltranen verlangt en de waslijn die altijd zucht. Ik groet de kievitskooi van de buren, de paardenbloem, het gevecht tussen rode en de zwarte mieren de pyjama van mijn jeugd, de hoelahoep. Ik gooi alle seizoenen weg en de regenboog schrap ik uit het woordenboek. Ik vlucht van de besproeide veranda, de eikenboom de speelse spelletjes van toen, het gevoel van vreemdheid van haar, van hem en bovenal van mijn moeder. Ik val in de vijver van volwassenheid en verdrink. Dwaas Vleugels die ik niet heb wil ik breken, het vliegen dat ik niet kan, stoppen ik wil thee drinken met de noga die ik niet lust mijn ogen dichtplakken van licht afscheid nemen en slapen. Ik wil terug naar het verloren moment naar de vergeten lach naar de tuin en de vijgenboom. Maar ik ga huiverig voorwaarts naar het blinde vooruitzicht, het voorspelbare toeval, het stille gezelschap, naar morgen met de hoop een tros druiven te plukken in het ochtendgloren. |
||
| <   ^   | deze tekst printen |